vrijdag 1 december 2017

Pansarts, Pansaers, Panzaer, Pansaert, Pansaerts, Panzaert, Pansers, Spensers, Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Panser, Pantsers of Panster?

Gualterus Pansarts (1693 – 1771)


Doopakte

Geboren worden als Gualterus Pansarts, de eerste keer trouwen als Jacobus Pansaers, de tweede keer als Jacobus Panzaer, in officiële documenten Wolterus Jacobus Pansaert heten en overlijden als Jacobus Pansaerts: je zou er een identiteitscrisis van krijgen.

Jacobus – laten we hem gemakshalve zo noemen – leidt een leven dat even afwisselend is als de spelling van zijn naam. Hij wordt op 26 januari 1693 gedoopt in Sint-Truiden, België, als zoon van Johannes Pansarts en Anna Maria Vandendael. Tweeëntwintig jaar oud trouwt hij in dezelfde stad met Anna Maria Martau, waarmee hij tussen 1716 en 1727 in een sneltreinvaart negen kinderen krijgt.

Exact twee jaar en twee dagen na de geboorte van het laatste kind staat hij in Venlo voor het altaar om voor de tweede keer te trouwen. De bruid is deze keer Sophia Heuskens, in 1704 te Swalmen geboren als dochter van Johannes Heeskens en Petronella Wijnen.

Wat is er in die twee jaar gebeurd? Laat hij in België een vrouw met negen kinderen achter om in Nederland doodleuk met een Limburgs meisje trouwen? Ik vind geen overlijden van Anna Maria Martau, maar dat hoeft weinig te betekenen, want de boeken van Sint-Truiden zijn slecht leesbaar (en ik ben vrij waardeloos in het ontcijferen ervan).

Van de negen kinderen raken acht uit het zicht, alleen Philippus (1720-1772) laat een spoor na. Die trouwt in 1747 te Sint-Truiden met Anna Maria Vandionant (1718-1792), met wie hij tenminste zes kinderen krijgt. Philippus wordt in documenten van 1768 en 1769 genoemd als de zoon aan wie Jacobus al het vruchtgebruik over zijn bezittingen in Sint-Truiden afstaat*. Blijkbaar zijn er verder geen erfgenamen (meer).

Hoe dan ook: Jacobus vestigt zich in Swalmen, gaat op de vertrouwde voet verder en produceert bij Sophia nóg acht kinderen. En daar begint de ellende, want de arme clericus die de dopen noteert weet zich geen raad met de buitenissige Belgische achternaam. Dus heten de kinderen respectievelijk Pantzaert, Pansart, Panzaert, Pansar, Pansart, Panser, Pansar en Pansar. Er lijkt zich op het einde zowaar een consensus af te tekenen.

Helaas gaat bij de volgende generatie die consensus alweer overboord en heten Jacobus’ kleinkinderen Panzaert, Pantzaert, Pansaert, Pansters, Pansers en Spensers.



De achterkleinkinderen maken het helemaal bont door er twaalf varianten op na te houden: Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Pansaert, Panzaert, Panser, Pantsers en Panster.

Daarna wordt de variatie snel kleiner, vooral door een overschot aan dochters en het uitsterven van takken, zodat er heden ten dage nog slechts één achternaam resteert: Pansters.


Overlijdensakte

Jacobus krijgt dit allemaal niet meer mee. Hoewel hij in een document uit november 1769 nog wordt omschreven als 'gesondt ende wel te pas uytgenomen dat hij tegenwoordigh wat geïncomodeert is met eene obstructie op sijne borste'*, overlijdt hij anderhalf jaar later, op 22 maart 1771. Sophia is dan al twaalf jaar dood.

Ter afsluiting: woon je in Limburg, of komt je familie er vandaan en heet je Pansters? Dan kun je er zeker van zijn dat je afkomst in Sint-Truiden ligt, bij een man die de afgelopen eeuwen menige pennenlikker in verwarring heeft gebracht. Bovendien ben je familie van mij, want Sophia Heuskens is een kleindochter van Petrus Wijnen, een oudbetovergrootvader van me. Weet je trouwens wat in het Engelse taalgebied Pansters zijn?

* Bron: Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen.

vrijdag 10 november 2017

De trek naar het zuiden

Mijn ouders hebben elkaar ontmoet omdat hun vaders stomtoevallig op hetzelfde moment in dezelfde plaats (Ede) waren gelegerd. Contact tussen deze twee zo verschillende families – de Drentse turfschippers Huberts versus de Limburgse landbouwers Wijnen – zou anders uitgesloten zijn geweest. Dat dacht ik tenminste, totdat ik op Johannes Eshuis stuit, lid van de Huberts-stamboom.

Johannes wordt in 1880 in Hoogeveen geboren, als oudste zoon van Arend Eshuis, binnenvaartschipper. Als Johannes in 1903 te Hoogeveen trouwt met Margje Slender, dochter van een scheepstimmerman, is hij inmiddels zelf schipper. Tot mijn verbazing vind ik echter dat hij in 1970 in Treebeek is begraven. Treebeek ligt in Zuid-Limburg.

En zo zijn er meer. Lambert Nijmeijer wordt in 1895 geboren in Hoogeveen, maar sterft in 1958 in Venray, Koob Prins *1901 Hoogeveen, +1958 Brunssum en Johannes Pastoor *1887 Hoogeveen en +1967 Brunssum. Dit zijn slechts een paar voorbeelden uit een ontwikkeling die ik begin twintigste eeuw zie ontstaan in de stamboom Huberts.

Families die zich eeuwenlang in Hoogeveen en omgeving (Zuidwolde, Avereest) hebben opgehouden, die generaties lang met plaatsgenoten zijn getrouwd, komen opeens in beweging. Meestal trouwen ze nog in het noorden, met een meisje uit het eigen dorp, om daarna te verhuizen naar Zuid-Limburg. En dat is logisch, als je erover nadenkt.


Want als Adolf Menzo, in 1873 te Avereest geboren, zevenenveertig jaar later overlijdt in Hoensbroek staat in zijn overlijdensakte dat hij mijnwerker is. Staatsmijn Wilhelmina opent in 1906, Emma in 1911 en Hendrik in 1915. Er ontstaan twee tegengestelde economische krachten. Enerzijds een enorme vraag naar arbeid in Zuid-Limburg en anderzijds een uitval aan werk in de noordelijke veenkoloniën: de steenkool vervangt immers de turf waarvan men daar leeft.

Ik vind het grappig dat ik zo’n economische ontwikkeling kan terugvinden in mijn stamboom, in dit geval de trek van turf naar steenkool. Met als ultiem gevolg dat leden van de twee families buren worden en er in Zuid-Limburg onvermijdelijk meer ontmoetingen hebben plaatsgevonden zoals die tussen mijn ouders.


zondag 22 oktober 2017

Een doodlopende tak

Francis Pijpers (1830 – 1867)


Als (amateur)genealoog raak je eraan gewend dat mensen vroegtijdig sterven. Ik kijk niet op van gezinnen waarvan de meerderheid van de – vele – kinderen jong overlijdt en ben zelfs blij als ik eindelijk een lastig op te sporen overlijdensdatum heb gevonden. Overlijden hoort bij genealogie, samen met geboorte en huwelijk schraagt de dood de database.

Soms sta ik wat langer stil bij een sterven. Zoals bij Cornelius Wijnen die uit een boom valt of Pierre Looven die tot drie keer toe een zoontje Jacobus Hubertus noemt om het telkens snel te verliezen (de vierde keer draait hij de namen om en blijft het kind leven). Ook ben ik van plan nog eens naar Groningen af te reizen om meer te weten te komen over Roelof Wierth, 32 jaar oud, wiens lijk daar op een zonnige julimiddag in het Sterrenboschpark is gevonden, aan het einde van de negentiende eeuw.

Meestal weet ik echter niets over de omstandigheden waarin men de dood vindt, heb ik alleen de standaardtekst van de akte met datum, locatie en aangevers. Dan is het raden, zoals ik ook doe naar het lot dat het gezin van Francis Pijpers in 1867 treft.
Tien jaar eerder is er geen vuiltje aan de lucht als hij in Swalmen in het huwelijk treedt met Joanna Vermeulen. Ze zijn allebei ongeletterd, haar vader is dagloner, zijn ouders akkerbouwers en hij werkt, als oudste zoon, waarschijnlijk op het bedrijf van zijn vader. Het duurt drie jaar voordat hun eerste kind wordt geboren, een dochtertje dat ze Anna Maria noemen. Er volgen nog twee kinderen, weer met tussenpozen van drie jaar: Jacobus en en Joanna.   

De voorbode van het onheil dat dit gezin te wachten staat, is het overlijden van Joanna, twee maanden oud, zondagavond 6 januari 1867, om tien uur. Francis geeft op maandag zelf het overlijden aan, samen met zijn vader Jacobus. Hij heeft inmiddels wat leren schrijven, de geboorteakte van Joanna is de eerste akte die hij zelf ondertekent, en ook deze akte ondertekent hij:


De rest van het jaar blijft het verraderlijk stil in aktenland, totdat Francis op woensdag 27 november weer met zijn vader voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand staat, deze keer om het overlijden van zijn zoon Jacobus aan te geven, om acht uur de avond tevoren. Vreemd genoeg verklaart hij nu niet te kunnen schrijven. 

Dan volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Zes dagen later, op 3 december overlijdt Anna Maria, het laatste kind. De aangifte wordt gedaan door Christiaan Wuts en Jan Hendrik Pijpers, buren van het gezin. Is Francis dan al ziek? Hij overlijdt namelijk 11 december en hekkensluiter is echtgenote Joanna, een dag later. Beide aangiften worden gedaan door vader Jacobus, vergezeld van buurman Christiaan Wuts.

Een compleet gezin sterft in hetzelfde jaar, waarvan vier leden binnen twee weken. Dat laatste feit duidt op een infectieziekte, als vind ik voor een grotere uitbraak in het register van Swalmen geen aanwijzing, zoals ik die eerder in Lent wel vond. Wat resteert is een doodlopende tak in mijn database. En een raadsel.

maandag 18 september 2017

De eigenzinnige koster - Deel 3

Bernardus Westenbergh (1711 – 1756), oudovergrootvader


De merkwaardigste notitie in hele boek is die van Bernardus’ eigen begrafenis.


We herkennen zijn handschrift. Heeft hij zijn eigen begrafenis genoteerd? Dan kan alleen als hij wist dat hij die dag begraven ging worden, tenzij de ‘1’ van ‘1 April’ er later door een ander aan is toegevoegd, wat slecht herkenbaar is. Het betekent wel dat hij deze notitie eind maart heeft gemaakt, anders zou hij in maart begraven kunnen zijn. Heeft hij net zolang gewacht totdat hij er zeker van was dat het april zou worden?

Als we de hele bladzijde bekijken, zien we duidelijk dat het handschrift verandert na zijn begrafenis.


Verderop in het boek keert het ook niet terug. Waar in andere boeken het handschrift verandert vóór de notitie van de begrafenis van de koster, gebeurt dat hier direct erna. Nog een aanwijzing dat het toch echt Bernardus zelf is geweest.

Vond hij het een ondraaglijke gedachte dat een ander zijn begrafenis vast zou leggen? Was het zijn trots die we eerder meenden te herkennen? Of is het een 1 april grap? Dat was toen al een eeuwenoude traditie.

Het is in ieder geval een welhaast letterlijk voorbeeld van het gezegde: regeren over je graf.

Voor wie het boek eens wil doorbladeren, is dit een link ernaar op de Family Search website. De aandachtige lezer zal meer merkwaardigheden tegenkomen, zoals een ongeluk met een snaphaan op het Vrijthof en het graf van een vermoord paar ‘in de gang agter de predikstoel’ dat snel vol raakt.

zondag 17 september 2017

De eigenzinnige koster - Deel 2


Bernardus Westenbergh (1711 – 1756), oudovergrootvader


Het boek van de begrafenisadministratie is al in gebruik sinds 1731, vanaf ver voor zijn aanstelling als koster. Toch weerhoudt dat Bernardus niet zijn stempel erop te drukken.


Dat begint al op de openingspagina, waar hij de originele tekst doorkrast en zijn eigen tekst toevoegt. We herkennen zijn handschrift met de uitbundige krullen. Door het boek heen spelt hij kerk afwisselend als ‘kerck’ en ‘kerk’. Of het er echt mooier op is geworden, met al die doorhalingen?

Even verderop maakt hij handig gebruik (misbruik) van de lege bladzijde die standaard een nieuw jaar voorafgaat, in dit geval 1735.


Ao 1735 is  
Is het Kosters Huijs van
de Matthijs Kerk Nieuw op
Gebouwd, door de aannemers,
Hendrik Ghien, en Hendr Janssen,
Voor 2430 Guldens Ligt aangenomen
dog Redelijk Slegt gemaakt

Hij beklaagt zich over de staat van het kosterhuis dat hij bewoont, waarbij hij bovendien de aannemers bij naam en toenaam noemt. De frustratie spat er af.

We leren Bernardus van een andere kant kennen waar hij de begrafenis van zijn vader noteert.


Als een gedachte achteraf voegt hij daar de woorden ‘= mijn vader’ aan toe. Een verrassend teder gebaar.

Andere indicaties van zijn emoties zijn de begrafenissen van drie van zijn dochters.




De bovenste is van zijn eerste kind, Helena, dat een week na de doop wordt begraven. Heeft hij deze begrafenis zelf genoteerd? Vergelijk bijvoorbeeld het woord 'Maij' met dat in de notitie van zijn vaders begrafenis erboven. Die versie is veel zwieriger. Ook de andere twee zijn minder flamboyant. Houdt hij zich in, heeft hij op die van zijn vader extra zijn best gedaan of herkennen we echt een andere hand?

Ik neig naar de theorie dat de eerste begrafenis niet van zijn hand is en de andere twee wel. Er zijn overeenkomsten tussen de twee die afwijken van de eerste, zoals de afwezige 'is' voor 'begraven' en het ontbreken van de initiaal in de naam. Aan de andere kant weten we dat Bernardus zelf weinig consistent is in zijn spelling, zie zijn eigen naam in de twee laatste notities. De afwijkende geldnotatie bij de laatste begrafenis, met de liggende streepjes in plaats van de dubbele diagonale is een evolutie in zijn handschrift. De eerste twee begrafenissen dateren van 1741 en 1742, de laatste van 1750.

Wrang is waar Helena's begrafenis is genoteerd.


Op de bladzijde naast het triomfantelijke verhaal over zijn aanstelling.

dinsdag 22 augustus 2017

De eigenzinnige koster – Deel 1

Bernardus Westenbergh (1711 – 1756), oudovergrootvader


Eigenlijk zijn er twee kosters: vader Jacobus (1669 – 1745) en zoon Bernardus (1711 – 1756). Beiden waren ze koster van de Nederlands-hervormde Matthijs Kerk in Maastricht, tegenwoordig de rooms-katholieke Sint-Matthiaskerk, nog steeds indrukwekkend massief gelegen langs de Boschstraat.

Zoon Bernardus treedt in zijn vaders voetsporen op vrijdag 17 maart 1741. We weten dit omdat hij dat zelf heeft genoteerd in 'het Register Boek der begravenisse van de Matthijs Kerk'. Het zal niet de enige keer zijn dat hij hierin andere zaken noteert dan waarvoor het is bedoeld: de administratie van de begrafenisopbrengsten.



In zijn zwierige handschrift, gelardeerd met barokke krullen, schrijft hij:

Den 17 Maart 1741 ben ik B: Westenberg door de Eerwaarde Heeren van den KKenraad (Kerkenraad, AH), en de Heeren Kerkmeesters, aangesteld tot Coster in plaats van mijn Vader 

Ik ben niet eerder een koster tegengekomen die zoiets doet, en ik heb al heel wat registers doorgeplozen. Op mij maakt het de indruk van een zeer zelfbewuste, om niet te zeggen hoogmoedige, Bernardus Westenbergh.

Hoogmoed komt voor de val, zegt het spreekwoord en ook hier zien we dat gebeuren, op dezelfde pagina nog wel. Deze notitie is namelijk de tweede versie. De eerste staat erboven en is doorgehaald.

 
Achter de doorhalingen is de tekst nog leesbaar:

Den 17 Maart 1741 ben ik B. Westenberg door de Eerwaarde Heeren van den KKenraad aangesteld tot Coster, in plaats van mijn vader.

Wat is het verschil met de tweede versie? Hij was de ‘Heeren Kerkmeesters’ vergeten. Is hij er zelf achter gekomen of is hij op zijn omissie gewezen? Te oordelen aan de woeste krassen en inktspatten is hij erop gewezen, misschien zelfs door zijn eigen vader. Hij was in ieder geval flink boos.

dinsdag 1 augustus 2017

Stoere mannen krijgen dochters

Jan Giliam Slicher (1714 – 1799), oudovergrootvader
Franciscus Geraerts (1795 – 1849)  


Krijgen de stoerste mannen de meeste dochters? Mijn stamboom wekt die indruk. Ik geef hier twee frappante voorbeelden.

Jan Giliam Slicher

De eerste man is ‘Colonel bij de Infanterie van den Staat’. Stoerder kan niet. Hij heet Jan Giliam Slicher en is een oudovergrootvader van mij, van moeders kant. Zijn echtgenote is Hermina Arnolda Becquer en de twee geven elkaar op 16 januari 1748 in Drempt het jawoord. Voor wie dit net als ik moet opzoeken: Drempt is een dorp in de Achterhoek en bestaat uit twee kernen: Voor-Drempt en Achter-Drempt. Nee, ik verzin dit niet.

Ik kan hier een uitputtend verslag typen, maar laat het bij een veelzeggende opsomming van de kinderen die Jan Giliam en Hermina Arnolda krijgen:
Bevolkingsregister

1749: Clara Catharina
1750: Gerharda Anna
1752: Theodora Petronella
1754: Anthonia Arnolda
1756: Johanna Louisa
1758: Stefanna Alijda
1762: Anthonia Arnolda

Als je daarbij bedenkt dat zowel de grootvader als de vader van Jan Giliam legerofficier was en hijzelf zich zeer bewust is van zijn afkomst (getuige deze brief uit 1775, scrollen), moet het hem pijn hebben gedaan dat zijn tak van de familie Slicher met hem uitstierf. De angstig vragende blik bij iedere bevalling, van Hermina Arnolda richting vroedvrouw, kan ik me eveneens levendig voorstellen. Het arme mens, veertien jaar zwanger van het verkeerde kind…*

Wellicht is het voor Jan Giliam een schrale troost dat dochter Johanna Louisa in 1790 trouwt met een legerofficier, Thomas Willem Lankester. Zo heeft hij tijdens familiediners nog een beetje aanspraak.

Franciscus Geraerts

De tweede man is een ver familielid: Franciscus Geraerts, echtgenoot van Anna Catharina Custers, een achterkleindochter van Petrus Wijnen, oudovergrootvader van moeders kant. De twee trouwen op 5 mei 1827 in Swalmen en krijgen – u raadt het al – zeven kinderen, allen dochters:

1828: Anna Gertrudis
1829: Joanna
1832: Helena
1835: Maria Catharina
1837: Maria Catharina Hubertina
1840: Petronella Hubertina
1843: Christina


Toen ik vanmorgen dit gezin zat samen te stellen, voelde ik na de derde dochter al nattigheid. Ik had alleen de geboortedata genoteerd en zocht daar de akten bij, kende dus niet het geslacht van de kinderen. Iedere keer weer leefde ik met Frans mee*, zag ik hem trouw aangifte doen en zijn petieterige handtekening zetten onder de akte. Een veel te kleine handtekening voor zo’n man. Hij moet namelijk kolenschoppen hebben gehad, met zijn vak. Welk vak? Hoefsmid! Het kan dus toch nog stoerder.

*Overigens wil ik hiermee niet suggereren dat zonen beter zijn dan dochters. Echter: verandering van spijs doet eten, niet waar? Grote gezinnen met alleen zonen heb ik trouwens niet in mijn stamboom.  

vrijdag 14 juli 2017

De man die uit een boom viel

Cornelius Wijnen (1735 – 1768), oudgrootvader



De familie Wijnen bestaat hoofdzakelijk uit boeren, die vanaf de zeventiende eeuw wonen in Swalmen, Belfeld en omgeving. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn de verschillende gezinnen redelijk welvarend en kopen regelmatig grond.


Cornelius Wijnen wordt op 25 maart 1735 te Swalmen gedoopt als oudste zoon van Petrus Wijnen en Maria van Baexen. Getuigen zijn Theodorus van Baexen, een jongere broer van Maria, en Anna Bulders, de moeder van Petrus.

Petrus en Maria krijgen nog drie zonen, waarvan de twee laatsen jong overlijden. Cornelius groeit op in Asselt, samen met zijn drie jaar jongere broer Petrus. Ik noem de familie redelijk welvarend en we kunnen daar aan de hand van de schatting van 1754 een indruk van krijgen. Deze schattingen werden gemaakt voor het heffen van belastingen.

Belastingen
Een van de belastingen die werd geheven was de hoofdschat, een andere was de beestenschat. De hoofdschat werd geheven over gezinnen, knechten en dienstmaagden. Het bezit van bepaalde soorten vee werd belast met de beestenschat: koeien, stieren, schapen, ganzen en bijenvolken. Over varkens en paarden werd geen belasting geheven. In 1754 zijn deze lijsten in elkaar geschoven.

Over het gezin Wijnen staat dan geschreven:

Peter Wijnen met vrouwe
eenen knecht, een maeght
dry koeyen, een rint
22 schaep, 8 bijen

Daarvoor betaalt hij 8 pattacons (rijksdaalders) en 6 schellingen belasting. Van de 188 belastingplichtigen in Swalmen betalen slechts 12 een hogere belasting (waaronder nog een ander gezin Wijnen). Het gezin van Cornelius behoort dus bij de 10% welvarendste.

Cornelius jr. 

 Op 13 mei 1759 wordt Cornelius jr. gedoopt, mijn oudvader en buitenechtelijke zoon van Cornelius en Elisabetha Janssen. We weten dat Cornelius de vader is vanwege de tekst 'ut mater declaravit in partu' in het doopregister, wat zoveel betekent als ‘beweerde de moeder tijdens de bevalling’. Rijkelijk laat…

In het doopregister is in kleine lettertjes toegevoegd dat dit kind op 4 augustus 1765 – zes jaar later – alsnog gewettigd is bij het huwelijk tussen Cornelius en Elisabetha. De twee krijgen nog twee kinderen, Petrus en Maria Agnes. Voor meer is helaas geen tijd.

De val


Cornelius wordt namelijk al drie jaar later begraven, op 29 november 1768. In het begrafenisregister staat 'qui in silva Baexhoef ex arbore dilapsus obiit', wat vertaald kan worden als: ‘Hij viel uit een boom in het Baexhoef bos.’

De Baxhof is een hoeve nabij Swalmen en staat nog steeds overeind, vermomd als recreatiecomplex in een bosrijke omgeving.

Resteert de vraag wat een 33-jarige vader van drie kinderen in een boom doet. Een mogelijke verklaring is dat Cornelius als boer waarschijnlijk varkens heeft gehad en die bijvoerde met eikels. Daar is zelfs een naam voor: mast. Bij het rapen van de eikels werd de natuur een handje geholpen door aan de takken te schudden. Om bij de hogere takken te komen moest je de boom in. Een ongeluk zit dan in een klein hoekje.

Het enige bezwaar tegen deze theorie is de datum van de begrafenis. Die ligt een maand na het eikelseizoen. Een lang ziekbed verklaart echter ook dat.

zaterdag 8 juli 2017

De Agfa box camera

Albert Huberts (1884 – 1939), grootvader



Mijn eerste foto’s maakte ik met een vooroorlogse boxcamera. Dat is zo’n camera die je met twee handen voor je buik houdt en waarbij je van boven in de zoeker kijkt. Ik zal een jaar of negen, tien zijn geweest, dus praten we over eind jaren zestig van de vorige eeuw.

Op dat moment was de camera al zo oud dat zelfs mijn ouders te jong waren om hem zelf ooit gekocht te hebben. Vaag staat me bij dat het een erfstuk was. Het ligt in de rede om dan direct aan mijn vaders kant te denken. Die was immers al op zijn 18e wees.

De camera is ergens in een grijs verleden verdwenen, waarschijnlijk tijdens een van de vele verhuizingen, en eerlijk gezegd had ik er al tientallen jaren niet meer aan gedacht, totdat ik eind vorig jaar in de Arnhemsche Courant van 27 mei 1935 op deze advertentie stuitte:


Een A. Huberts met een militair adres (waarom geen huisadres, zoals alle andere winnaars?) in Ede wint een Agfa fototoestel. Dat kan alleen maar mijn grootvader zijn. Direct schiet me de boxcamera te binnen. Maakte Agfa toen boxcamera’s?

Een snelle zoektocht levert het bewijs:


Een Agfa Cadet Box camera uit 1935. Ik herken details, zoals het draaimechanisme aan de zijkant, de beugelsluiting, het hengsel en de zoeker bovenop. In mijn herinnering heeft hij alleen een andere, lichtbruine kleur.

Wat heeft mijn grootvader moeten doen om deze prijs te winnen? De prijsvraag heet ‘Mooi Nederland’, meer vind ik er niet over. De volgende prijsvraag wordt in de advertentie al aangekondigd: ‘Holland-Engeland’. Om mee te kunnen doen moet je de vraag ‘Welke speler uit het Nederlandsch team heeft het best gespeeld in den wedstrijd Nederland-Engeland?*’ beantwoorden en het antwoord opsturen, vergezeld van een deel van de sigarettenverpakking. Moest je voor de prijsvraag ‘Mooi Nederland’ de vraag beantwoorden wat het mooiste plekje van Nederland is? Dan zal mijn grootvader vast de Ginkelse Heide hebben gekozen.



Veel succes hebben de prijsvragen niet opgeleverd voor North American sigaretten. Na een korte advertentiecampagne in diverse kranten verdwijnt het merk nog hetzelfde jaar. Mijn opa heeft niet lang van zijn prijs kunnen genieten. Hij overlijdt al in 1939, 55 jaar oud. Maar wat zal hij blij zijn geweest met zijn boxcamera.

* Deze voetbalwedstrijd werd op 18 mei 1935 gespeeld. Nederland verloor 0-1.   


vrijdag 30 juni 2017

Overleven in Lent - deel 7: Overleefd

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder


Jenneke overlijdt vrijdag 2 maart 1827 om drie uur ’s middags. Dankzij een verstrooide dominee weten we niet of ze 81 of 82 jaar oud is. Op haar overlijdensakte staat 82 jaar. Blijkbaar kende ze zelf wel haar geboortedatum, en ligt die dus ergens tussen 1 januari en 2 maart 1745.

Haar overlijden wordt een dag later in Elst aangegeven door Peter Jansen, voerman, 75 jaar oud, uit Lent en Johannes Hermsen, veldwagter, oud 34 jaar, uit Elst, die allebei verklaren dat ze een vriend zijn van de overledene. Dat doet me deugd, al is Johannes de veldwagter er alleen bijgehaald om de vereiste twee aangevers te completeren, een rol die hij dat jaar vaker vervult.

Toch is het opvallend dat er ‘vriend’ staat, want de standaard formulering bij dergelijke professionele aangevers – in diverse aangiftes figureren nog een veldwagter Esmeijer en een herbergier Aalbers – is niet ‘vriend’ maar ‘nabuur’.  Zo komt het dat van de 136 personen die in 1727 in Elst overlijdensaangifte doen er maar liefst 102 ‘nabuur’ worden genoemd. Verder zijn er nog 20 familieleden, 12 vrienden, 1 ‘goede vriend’ en 1 ‘goede kennis’. De aangifte van Jenneke is een van drie die door twee vrienden wordt gedaan.  Wat daar dus ook van waar moge zijn…

Jenneke heeft vele epidemieën, zes watersnoden en een oorlog overleefd. Ze heeft twee echtgenoten begraven en negen kinderen ter wereld gebracht, waarvan er vier nog in leven zijn, wat een hele prestatie is, zoals we hebben gezien. En Jenneke Dijckman heeft in Lent overleefd, wat misschien nog wel het grootste wonder is.

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.

maandag 26 juni 2017

Overleven in Lent - deel 6: Oorlog

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder


Was Marjan uit de Elzas een voorbode? In het najaar van 1794 lopen Franse troepen de generaliteitslanden onder de voet.  Er wordt in allerijl een verdedigingslinie opgeworpen langs de noordelijke waaloever, met Lent – of all places – als speerpunt. Troepen uit Hannover worden daar gelegerd en gedragen zich alsof zij in vijandelijk gebied zijn.

Door Adam Vandelincourt 

Inkwartiering zorgt voor veel overlast. Gebrek aan hout om te stoken in de bivaks in het veld (het was bitter koud dat najaar) betekent dat de soldaten hele boomgaarden rooien en schuren en achterhuizen slopen. Door onvoorzichtigheid breken er branden uit en de Lentse kerk is een lazaret voor de vele patiënten die getroffen zijn door een dysenterie-epidemie.

Voor de inwoners ontstaat zo’n onleefbare situatie dat op 6 december de laatste wordt verjaagd. Jenneke, die de 50 nadert, zal dan al zijn vertrokken. Waarheen? Heeft ze nog familie in Ressen?

Franse artillerie beschiet Lent

De verdedigingslinie faalt en de Fransen trekken over de bevroren Waal.
Mr. Wicherlinck, secretaris van de Staten van Overijssel, schrijft hier over:

‘Toen de Fransen die bij Gendt over de bevroren Waal waren getrokken via Bemmel in Lent kwamen troffen zij een spookdorp aan waar geen vrijheidsboom werd geplant; er woonde niemand meer. Langzaam druppelden na de invasie de gevluchte en verjaagde dorpelingen in hun gehavend dorp terug om aan een moeizame wederopbouw te beginnen zonder hulp van wie dan ook want het land verkeerde in een diepe malaise. Er volgden maanden van honger en ontbering in een strenge winter. Met veel zieken en sterfgevallen.’

Niks nieuws dus voor Jenneke, al is het niet zeker dat zij snel weer naar Lent terugkeert. De eerste provisorische volkstelling in de Bataafse republiek in 1796 toont aan dat 603 inwoners inmiddels weer in hun dorp wonen. In 1808 is dat aantal tot 843 gestegen. Nog altijd minder dan voor de Franse invasie toen het aantal inwoners rond 1.000 bedroeg.

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.


vrijdag 23 juni 2017

Overleven in Lent - deel 5: Een tweede huwelijk

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder


Ik heb het al eerder gehad over de grote kindersterfte in 1783. Deze treft op 5 en 10 september ook het gezin Derksen en in de nasleep overlijdt eveneens vader Christiaan, op 5 oktober. We weten niet precies hoe oud hij dan is. Waarschijnlijk een jaar of 50. Misschien is hij de Christian Derksen die op 6 november 1735 in Lent is gedoopt, al is het vreemd dat hij dan geen van zijn 15 kinderen naar een van zijn ouders heeft vernoemd.

Hij laat een vrouw en kinderen na, staat in het register. Dat zijn er waarschijnlijk zes, totdat ook Jan sterft, 13 dagen later. De jongen, die als enige van negen kinderen uit Christiaans eerste huwelijk getuige was van diens tweede, wordt 17 jaar oud. Jenneke blijft achter en hertrouwt pas tweeënhalf jaar later.

Ik heb de indruk dat weduwnaars met jonge kinderen sneller hertrouwen dan weduwen. Is daar onderzoek naar gedaan? Enerzijds valt dit te verklaren door de grotere zelfredzaamheid van moeders met kinderen, anderzijds valt in zo’n gezin de belangrijkste inkomstenbron weg.


Hoe dan ook, Jenneke hertrouwt op 25 mei 1786 te Lent met Daniel Castein. Weer een huwelijk dat een groot leeftijdsverschil kent, al is zij nu de oudere:  40 of 41 jaar, hij is 27. Zo’n leeftijdsverschil noopt tot speculeren. Wat maakt een oudere weduwe met vijf kinderen een goede partij voor een jonge vrijgezel? Antwoord: bezit. Ze heeft zich immers ook die tweeënhalf jaar weten te bedruipen.

Bestiert ze nu de herberg/ het logement in haar eentje? Ze zou niet de eerste weduwe zijn die het bedrijf van haar man voortzet. Het is een van de weinige mogelijkheden voor een financieel onafhankelijk bestaan die een vrouw in de achttiende eeuw heeft. Aan de andere kant is Daniel misschien wel een kreupele lelijkerd die allang blij is dat hij een vrouw aan de haak heeft geslagen. Zoals zo vaak met dit soort speculaties: we zullen het nooit weten.

Jenneke krijgt met Daniel nog twee kinderen. Christina in 1788 en Anna een jaar eerder. Anna is een van mijn oudgrootmoeders. Jenneke overleeft ook Daniel, ondanks het leeftijdsverschil. Hij overlijdt in 1825, 66 jaar oud, na een huwelijk van bijna veertig jaar.    

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.

dinsdag 20 juni 2017

Overleven in Lent - deel 4: Een oud vrouwspersoon

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder


Lent bestaat in deze tijd uit twee helften, gelegen ter weerszijden van de Grift (een gedempt kanaal). Ten oosten woont de agrarische bevolking die grotendeels katholiek is gebleven, aan de andere zijde de hoofdzakelijk protestantse bevolking, die zich bezighoudt met handel, verkeer en dienstverlening. Omdat Jenneke protestants is, leeft zij met haar gezin waarschijnlijk in dat laatste gedeelte. Een andere aanwijzing daarvoor is het vreemde bericht dat juli 1774 in het begrafenisregister is genoteerd:
Op den 13 Julij sterft ten huijzen van Christ Derksen een oud vrouwspersoon uijt den Elzas gen: Marjan en is begraven op den 15: dito, Pro deo

Jenneke is inmiddels vijf jaar getrouwd met Christiaan, heeft in 1770 een zoontje Willem gekregen, twee jaar later dochter Johanna en in februari 1774 nog een zoon: Gerrit. Deze zijn juli 1774 allen nog in leven. Verder loopt de inmiddels zevenjarige Jan nog door het huis, dus je zou zeggen dat ze genoeg omhanden heeft.

Toch lijkt het erop dat ze met haar man een herberg of logementshuis drijft, ofwel tenminste iets bijverdient met het laten overnachten van reizigers die de overtocht van en naar Nijmegen maken. Hoe verzeilt anders een oude vrouw uit de Elzas in een woonhuis te Lent?

Het bericht roept meer vragen op. Wat doet een oude vrouw zo ver van huis, in een tijd dat het maken van grote reizen geen usance is? Reist ze alleen? Ze is pro deo begraven, dus eventuele medereizigers waren arm of niet bereid voor haar begrafenis te betalen.

Het is trouwens bijzonder dat de begrafenis niet anoniem is. Meestal lees je in begrafenisregisters ‘een soldaat’, ‘een reiziger’, ‘een vreemdeling’. Deze keer heeft de overledene kans gezien haar identiteit over te brengen zodat we nu weten dat de oude vrouw, die overlijdt in het huis van Christiaan en Jenneke, Marjan (vernederlandsing van Marianne?) uit de Elzas is.

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.

zaterdag 17 juni 2017

Overleven in Lent - deel 3: Overstromingen

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder



1769

Jenneke is nog geen twee maanden getrouwd als op 28 december 1769 de dijk tussen Huissen en Angeren het begeeft. Meerdere doorbraken volgen en de hele Betuwe stroomt vol. Jenneke moet haar huis ontvluchten. Het is haar eerste watersnood, het zal niet haar laatste zijn.


1781

In 1781 is het alweer raak, als de bandijk bij Lent doorbreekt:


In het laatste van de maand Januarii raakte de Waal sterk met drijfijs bezet : den 26 zettede zig een zwaare ijsdam (n) bij de stad (Nijmegen, AH), tegens welke het water oprijzende veele verzinkingen in de Dijken veroorzaakte.

Den volgende dag brak den ijsdam aldaar los, en zakte de rivier af tot bij Varik. Tusschen den 27 en 28 des nagts stroomde het water op veele plaatzen over de Dijken in het Ampt tusschen Maas en Waal twee of drie voeten, zijnde op dat oogenblik hooger gerezen dan in den jaare 1740, en verwekte vijf doorbraaken in den Waaldijk bij de Dorpen Wamel en Dreumel, waar door het geheele Ampt tusschen Maas en Waal nevens een gedeelte van het Rijk van Nijmegen overstroomd wierd.(Bron)

Jenneke redt het vege lijf, samen met haar man en kinderen, waarvan de jongste, Margaretha, net negen maanden oud is.


1784

Drie jaar later is de bevroren Waal nogmaals de oorzaak van een overstroming:

Op 27 februari 1784 brak ook het ijs in Nijmegen los. Iets verder stroomafwaarts, bij het dorpje Druten, zat de rivier echter nog muurvast. Achter deze ijsdam begonnen de brokken ijs en het smeltwater zich daarom in rap tempo op te hopen. In een poging om een ramp te voorkomen probeerde de lokale bevolking nog snel de dijken te verhogen. Zij maakten hierbij gebruik van allerlei materialen, waaronder mest dat aangeleverd werd door de boeren. Het mocht allemaal echter niet baten en na verloop van tijd braken de dijken langs de Waal op maar liefst elf plaatsen door. Ook Nijmegen liep onder water en de onderste muurtoren van het Valkhof stortte in. (Bron)

Watersnood 1799, tekening vanaf Lentse oever


1799, 1809, 1820

Vervolgens breekt in 1799 de bandijk voor Doornik over een grote breedte, is er in 1809 een dijkdoorbraak die vooral Oosterhout treft, maar ook in Lent grote schade aanricht, en krijgt het dorp tenslotte nog een veeg mee van de grote watersnood van 1820 waarbij 1300 km² onder water komt te staan.

Jenneke verlaat zes keer huis en haard, om bij elke terugkeer een puinhoop aan te treffen waarop ze telkens weer met pijn en moeite een nieuw bestaan opbouwt.

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.

vrijdag 16 juni 2017

Overleven in Lent - deel 2: Kindersterfte

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder




Jenneke woont inmiddels in Lent, een dorp dat een paar kilometer ten zuiden van Ressen tegenover Nijmegen aan de Waaloever ligt. Ze is 24 of 25 jaar oud als ze op 5 november 1769 voor het altaar staat met Christiaan Derksen, een weduwnaar uit hetzelfde dorp.

We weten niet wie nog meer in de ijskoude kerk zitten. Haar vader is overleden, want haar moeder hertrouwt in 1755. Wellicht is zij aanwezig bij de bruiloft van haar dochter. Jenneke’s vier broers en twee zussen hebben na hun doop geen sporen nagelaten, wat het ergste doet vermoeden, zeker als we weten hoe het Christiaan is vergaan.

Die is een stuk ouder dan Jenneke, en elf jaar eerder al in Lent getrouwd met Anneke van Leijden, die hem negen kinderen schenkt. De eerste zes halen geen van allen de twee jaar. Pas de zevende, Jan, leeft lang genoeg om als driejarig jongetje het tweede huwelijk van zijn vader mee te maken. Het achtste kind sterft na negen maanden, het negende komt op 24 mei 1769 levenloos ter wereld en neemt twee dagen later zijn moeder mee in de dood. Hoe vreselijk ook, voor Jenneke is het natuurlijk wel prettig dat Christiaan maar één kind inbrengt uit zijn eerdere huwelijk. Het belooft echter weinig goeds voor het lot van haar eigen kinderen.


De kindersterfte in Lent neemt in deze periode ontstellende vormen aan. Bladerend door het register kom je golven kinderbegrafenissen tegen, die doen vermoeden dat de belangrijkste oorzaken infectieziekten zijn. Pokken wordt met name genoemd, maar (kinder)ziekten als mazelen en roodvonk zullen ook een rol hebben gespeeld, net als dysenterie en cholera.


Zo sterven in augustus en september 1783 tweeënveertig kinderen. Als je bedenkt dat Lent in die tijd nog geen 1.000 inwoners telt, is dat zo’n 5% van alle kinderen. Binnen twee maanden tijd.

Waarom juist Lent? Het dorp is de laatste oversteekplaats aan de Waal en heeft een drukbevaren verbinding met Nijmegen middels een gierpont. Reizigers nemen iedere dag verse ziekten met zich mee, slaan proviand in, ontlasten zich terwijl ze op het veer wachten en overnachten in logementen en bij bewoners. Mogelijkheden genoeg voor ziekteoverdracht. Tel daarbij de drassige omgeving, gecombineerd met regelmatige overstromingen, en je hebt een perfecte cocktail voor infectieziekten.


Jenneke zal met Christiaan zeven kinderen krijgen, waarvan vier haar met zekerheid overleven. De andere drie overlijden waarschijnlijk jong, waarvan eentje aan de pokken. Ze doet het voor Lentse begrippen dus lang niet slecht.

Met grote dank aan de website van de Lentse Historische Kring, waar ik veel informatie over de geschiedenis van Lent heb gevonden.

donderdag 15 juni 2017

Overleven in Lent - deel 1: Een verstrooide dominee

Jenneke Dijckman (1745 – 1827), oudovergrootmoeder



Bij haar doop in Ressen gaat het mis. Men vergeet de datum te noteren, zodat we alleen weten in welk jaar Jenneke is geboren: 1745. Maar er is meer: we herkennen in de registratie twee verschillende handschriften. De eerste hand heeft geschreven: 'den        Een        gedoopt  van Willem Dijckman en Hilleken Garritsen Egteluyden en is genaamt’, waarop een tweede hand daar ‘Dogter’ en ‘Jenneke’ aan heeft toegevoegd. Wat is hier gebeurd?

Ik zie een behulpzame koster uit Bemmel, die slechts nu en dan de kleine kerkgemeente van Ressen aandoet, alvast de doop noteren zodat de dominee alleen nog de details – geslacht, naam, datum – hoeft in te vullen. Moeder Hilleken loopt op alle dagen, of is al aan het bevallen, dus dat de doop er komt is zeker (ook doodgeboren kinderen werden veelal gedoopt). In een gehucht als Ressen zal hij daarvan ongetwijfeld op de hoogte zijn.

De goede bedoeling van de koster ten spijt gaat het echter mis: de dominee noteert na de doop wel het geslacht en de naam van het kind, maar vergeet de doopdatum op te schrijven. Waarom is die op een later tijdstip niet alsnog toegevoegd?


Als we iets verder kijken in het doopboek zien we dat er dat jaar in Ressen slechts twee dopen waren, waarvan de tweede op 12 december. Waarschijnlijk is Jenneke maanden eerder gedoopt, heeft het boek al die tijd onaangeroerd gelegen en zag de koster de omissie van zijn baas pas toen hij het op 12 december opensloeg. En toen kon de dominee zich natuurlijk niet meer de exacte datum van haar doop herinneren...


Met zo'n dooplocatie is het trouwens niet verwonderlijk dat je verstrooid raakt. Het twaafde-eeuwse kerkje van Ressen ligt er ook nu nog schilderachtig bij.