Posts tonen met het label Vermeulen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vermeulen. Alle posts tonen

zaterdag 23 september 2023

Beroepen - Deel 2

 Batmeester – Henricus Mevissen (1727 – 1783)

Nee, dit is geen typefout, Henricus Mevissen was inderdaad een batmeester. Een beroep dat niet meer bestaat, want in mijn Van Dale woordenboek uit 1992 staat dit woord niet. Net zo min als het werkwoord batten of bat in de betekenis van een krib. Maar laat ik eerst vertellen wat het beroep van batmeester inhield.

Kribben

Een batmeester werd, meestal op voordracht van de gemeente, aangesteld om de staat van de kribben in een rivier te overzien en zo nodig nieuwe kribben aan te leggen of bestaande te herstellen. Dit werk – het batten – werd verricht door batters, onder leiding van de batmeester.

Soms berekende de batmeester ook de kosten van de aanleg, zoals blijkt uit deze brief uit 1784 van de batmeester van Ohé en Laak:

Ik ondergeschreven batmeester van de gemeente van Ohé en Laak, verklaare kragte deezes bevonden te hebben, na rype examinatien ende calculatien mit assistentie ende byweezen van den mede ondergeteekenden Collecteur derselve gemeente, dat omme het goed Cantelmo wederom met behoorlyke bat- en ryswerken te voorzien en daardoor tevens verdere inbraken te bewaren, aan materialen ende arbeidsloonen ten minsten sal moeten besteed worden eene somme van twaalf duizend guldens hollands.

Op de Laak den 10de September 1784.
Andries Kanters, batmeester.
A. M. Gielen.  

Een hoop geld in die tijd, maar de batten waren het waard. Ze voorkwamen dijkdoorbraken, overstromingen en het afkalven van oevers. 

Detail begrafenisregister

Henricus Mevissen was batmeester in Herten, een dorp aan de Maas, ongeveer een kilometer ten zuiden van Roermond. Hij was niet aangesteld door de gemeente, maar werkte voor het munster (kloosterkerk, monasterium, bisschoppelijke kerk). Voor zover ik heb kunnen ontdekken, lag er in Herten geen klooster, maar in het naburige bisdom Roermond waren er meerdere, evenals de Sint-Christoffelkathedraal, de kathedraal van het bisdom Roermond. Waarschijnlijk was het bisdom of een klooster eigenaar van de oevergronden langs de Maas bij Herten en dus verantwoordelijk voor de bescherming ervan. 

Van Henricus Mevissen weet ik weinig. Hij is een van mijn oudgrootvaders, geboren in 1727 te Herten en overleden in 1783 in dezelfde plaats. Hij trouwde op 14 oktober 1753 te Herten met Margaretha Vermeulen, met wie hij zes kinderen krijgt, drie meisjes en drie jongens. De op één na oudste van de meisjes, Cornelia, is een betovergrootmoeder van me. Zij trouwde met een landbouwer. Dat is volgens mijn woordenboek een beroep dat nog wél bestaat.  

zondag 22 oktober 2017

Een doodlopende tak

Francis Pijpers (1830 – 1867)


Als (amateur)genealoog raak je eraan gewend dat mensen vroegtijdig sterven. Ik kijk niet op van gezinnen waarvan de meerderheid van de – vele – kinderen jong overlijdt en ben zelfs blij als ik eindelijk een lastig op te sporen overlijdensdatum heb gevonden. Overlijden hoort bij genealogie, samen met geboorte en huwelijk schraagt de dood de database.

Soms sta ik wat langer stil bij een sterven. Zoals bij Cornelius Wijnen die uit een boom valt of Pierre Looven die tot drie keer toe een zoontje Jacobus Hubertus noemt om het telkens snel te verliezen (de vierde keer draait hij de namen om en blijft het kind leven). Ook ben ik van plan nog eens naar Groningen af te reizen om meer te weten te komen over Roelof Wierth, 32 jaar oud, wiens lijk daar op een zonnige julimiddag in het Sterrenboschpark is gevonden, aan het einde van de negentiende eeuw.

Meestal weet ik echter niets over de omstandigheden waarin men de dood vindt, heb ik alleen de standaardtekst van de akte met datum, locatie en aangevers. Dan is het raden, zoals ik ook doe naar het lot dat het gezin van Francis Pijpers in 1867 treft.
Tien jaar eerder is er geen vuiltje aan de lucht als hij in Swalmen in het huwelijk treedt met Joanna Vermeulen. Ze zijn allebei ongeletterd, haar vader is dagloner, zijn ouders akkerbouwers en hij werkt, als oudste zoon, waarschijnlijk op het bedrijf van zijn vader. Het duurt drie jaar voordat hun eerste kind wordt geboren, een dochtertje dat ze Anna Maria noemen. Er volgen nog twee kinderen, weer met tussenpozen van drie jaar: Jacobus en en Joanna.   

De voorbode van het onheil dat dit gezin te wachten staat, is het overlijden van Joanna, twee maanden oud, zondagavond 6 januari 1867, om tien uur. Francis geeft op maandag zelf het overlijden aan, samen met zijn vader Jacobus. Hij heeft inmiddels wat leren schrijven, de geboorteakte van Joanna is de eerste akte die hij zelf ondertekent, en ook deze akte ondertekent hij:


De rest van het jaar blijft het verraderlijk stil in aktenland, totdat Francis op woensdag 27 november weer met zijn vader voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand staat, deze keer om het overlijden van zijn zoon Jacobus aan te geven, om acht uur de avond tevoren. Vreemd genoeg verklaart hij nu niet te kunnen schrijven. 

Dan volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Zes dagen later, op 3 december overlijdt Anna Maria, het laatste kind. De aangifte wordt gedaan door Christiaan Wuts en Jan Hendrik Pijpers, buren van het gezin. Is Francis dan al ziek? Hij overlijdt namelijk 11 december en hekkensluiter is echtgenote Joanna, een dag later. Beide aangiften worden gedaan door vader Jacobus, vergezeld van buurman Christiaan Wuts.

Een compleet gezin sterft in hetzelfde jaar, waarvan vier leden binnen twee weken. Dat laatste feit duidt op een infectieziekte, als vind ik voor een grotere uitbraak in het register van Swalmen geen aanwijzing, zoals ik die eerder in Lent wel vond. Wat resteert is een doodlopende tak in mijn database. En een raadsel.