Posts tonen met het label Zwolle. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zwolle. Alle posts tonen

zaterdag 2 april 2022

Een bedelaar van stand - Deel 3

Johannes Menzo (1808 – 1882), betovergrootvader
Joanna Catharina Wirtz (1827 – 1913), betovergrootmoeder 

Wolfgang Wirth (1790 – 1855), een voormalige fuselier van het Regiment Zwitsers, komt in 1836 aan in Veenhuizen. Veteranen bewoonden in Veenhuizen woningen aan de buitenkant van de gestichten. Wolfgang wordt een veldwachter van het gesticht. 

Uittreksel doopregister Wolfgang Wirth

Hij is op 27 november 1790* gedoopt in Glarus, Zwitserland en wordt, zoals zoveel jonge Zwitserse mannen, geworven door de Nederlandse Koninklijke Landmacht, waar hij fuselier is in een van de vier Zwitserse Regimenten. Ik weet niet precies wanneer hij aantreedt, maar uit de geboorteakte van zijn dochter Anna uit 1822 blijkt dat hij dan fuselier is bij de 3e Compagnie, tweede bataljon, Regiment Zwitsers nummer 31.

Geboorteregister Joanna Catharina Wirtz

Als hij in 1836 verhuist naar Veenhuizen komt hij uit Amsterdam, waar zijn vrouw Mechtildis Muhlenberg (1794 – 1836) eerder dat jaar is overleden. Hij neemt vijf kinderen mee, vier dochters in de leeftijd van 4 tot 14 jaar en een zoon van 2 jaar oud. Joanna Catharina, geboren 17 november 1827 in Antwerpen, is dan 8 jaar oud. Een weduwnaar met vijf kleine kinderen heeft het niet makkelijk en hij trouwt dan ook het volgende jaar met Aafien Helmich, een 23-jarige inwoonster van Veenhuizen, met wie hij nog acht kinderen krijgt. 

Erkenning Johannes Marinus

Ik heb geen idee wanneer en hoe Johannes en Joanna Catharina (roepnaam: Trinet) elkaar hebben leren kennen, maar Trinet bevalt op 2 juni 1852 van een zoon, Johannes Marinus, die bij het huwelijk in april 1853 door Johannes wordt erkend. 

Wat er eind 1851, begin 1852 met Trinet gebeurt, begrijp ik niet. Uit de administratie van Veenhuizen blijkt dat zij op 5 november 1851 wordt ontslagen. Ontslagen? Als dochter van een veldwachter is zij toch geen bewoonster van het gesticht maar een vrije vrouw? Hoe dan ook, ze vertrekt uit Veenhuizen en is dan twee maanden zwanger. 

Lang duurt haar afwezigheid niet want vijf maanden later, op 6 april 1852 wordt ze ingeschreven in het gesticht. Uit haar inschrijving blijkt dat ze afkomstig is uit Zwolle en veroordeeld (‘gecondemneerd’) is. Er staat niet bij waarvoor. 

Inschrijving Johannes Marinus in de Ommerschans (vierde regel)

Twee maanden later wordt haar zoon Johannes Marinus geboren die direct wordt ingeschreven onder nummer 1261. Natuurlijk als ‘Johannes Marinus Wierth’ omdat het een buitenechtelijk kind is. 

Handtekening Johannes Menzo op de huwelijksakte

Haar verblijf in het gesticht duurt niet lang. Ze wordt twee maanden na Johannes, op 10 februari 1853 ontslagen. Weer twee maanden later, op 18 april, trouwen Johannes en Trinet met elkaar in de gemeente Avereest waar zij dan ook wonen en zullen blijven wonen tot aan hun dood. Deze Overijsselse gemeente bestond uit de plaatsen Balkbrug, Dedemsvaart en Oud Avereest en ging in 2000 op in de gemeente Hardenberg. Volgens de huwelijksakte is Johannes van beroep barbier. Opvallend is dat Trinet, die niet kan lezen en schrijven, bij de erkenning van Johannes Marinus verklaart dat haar naam op diens geboorteakte verkeerd is gespeld. Ze heet niet Trinet Wierth maar Joanna Catharina Wirtz. Het zal helaas niet de laatste keer zijn dat haar naam wordt verhaspeld.  

Arend Menzo

Trinet en Johannes krijgen elf kinderen, waaronder Arend, de overgrootvader waarnaar mijn vader is vernoemd en die zelf een dochter naar zijn moeder vernoemt: Trinet, mijn oma. Tot 1878 wordt Johannes in akten meestal barbier genoemd, echter in de geboorteakte van zoon Adolf uit 1873 en in zijn overlijdensakte staat aanspreker. Een aanspreker is (ik citeer mijn oude woordenboek): iemand die de familie en vrienden van een overledene ter begrafenis nodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening der begrafenis belast is.

Overlijdensakte Joanna Catharina Wirtz

Johannes overlijdt op 1 juni 1882, 74 jaar oud. In de overlijdensakte staat geen oorzaak. Trinet overlijdt 31 jaar later, op 28 november 1913, 86 jaar oud. In de akte staat dat ze 85 jaar oud is. Gelukkig is deze keer haar naam wel goed gespeld. Ze wordt op 3 december in Avereest begraven. 

*De bron van deze datum is het uittreksel van het doopregister in de bijlagen van de huwelijksakte van zijn eerste huwelijk. Op het uittreksel van het doopregister in de bijlagen van de huwelijksakte van zijn tweede huwelijk staat een andere datum: 17 november 1790.



vrijdag 14 mei 2021

Een bedelaar van stand – Deel 2

 Johannes Menzo (1808 – 1882), betovergrootvader

Ontslag
Ruim een jaar na zijn aankomst wordt Johannes ontslagen uit Veenhuizen, op 7 februari 1844. Het is opvallend dat hij zelf deze datum heeft gekozen. We lezen dat in een brief van 16 januari 1844 van de heer J. van Kimmenburg, Directeur der koloniën, aan de Permanente Commissie:

‘Ik heb de eer U te berichten, dat de volgende bedenkingen bestaan tegen de uitvoering van het ontslag der bedelaars kolonisten, bij den 5 dezer maand Feb opgegeven, als:
De volgende hebben verzocht nog tot nevens staande tijdstippen te mogen blijven:’

Dan volgen er vier namen van kolonisten, waarvan de eerste drie tot 7 of 10 maart uitstel krijgen van hun ontslag, met als laatste Johannes Menzo, die een bescheidener uitstel vraagt: tot 8 februari 1944.


Ook in het inschrijfregister staat in potlood genoteerd ‘(8 feb 44)’ bij de beschikking ‘dadelijk te ontslaan’. 

Waarom Johannes twee dagen uitstel vraagt is onbekend. Wel is duidelijk dat de leiding van de koloniën bereid is uitstel van ontslag te verlenen, tot ruim een maand na de oorspronkelijke ontslagdatum.  

Op herhaling
Als Johannes op 7 februari 1844 wordt ontslagen uit de bedelaarskolonie gaat hij terug naar Utrecht. We weten dat, omdat dit de plaats is waar hij vandaan komt als hij zes maanden later weer aanklopt bij de Ommerschans.

Inschrijfregister Ommerschans, linkerblad

Hij staat hier op de tweede regel. De ‘2’ achter zijn naam geeft aan dat hij hier voor de tweede keer is.

Inschrijfregister Ommerschans, rechterblad

Ook op het rechtblad volgen we weer de tweede regel – de persoonsbeschrijving is overschreven – en lezen daar: ‘idem N 4735 Vrijwillig’. 4735 is het nummer dat hij bij zijn eerste aankomst kreeg, en blijkbaar is hij hier uit vrije wil. De volgende kolom is de plaats waar hij bij het bevolkingsregister staat ingeschreven en tenslotte lezen we dat hij 13 mei 1848 is ontslagen. 

Johannes meldt zich dus vrijwillig en blijft bijna vier jaar in Veenhuizen. Dat zegt iets over hem én over de bedelaarskolonie.

Kolonie Veenhuizen 

Bedelaarskolonie Veenhuizen III

De Maatschappij van Weldadigheid sticht in 1818 de drie vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord, waar arme families zich op kunnen werken door middel van boerenarbeid. Ommerschans is in eerste instantie bedoeld voor de in bewaring stelling van lastige bewoners van deze vrije koloniën. In 1823 sluit de Maatschappij contracten met de overheid voor de opvang van weeskinderen, landlopers en bedelaars. Voor die mensen is ruimte nodig en daarom bouwt men drie grote gestichten (strafkolonies): Veenhuizen I, II en III. Bedelaars worden gewoonlijk gehuisvest in Veenhuizen III. Aan de buitenzijde van deze kolonie liggen huizen waar veteranen wonen en arbeidersgezinnen die uit vrije wil zijn gekomen. 

Bedelaars
Begin 19e eeuw heerst in Nederland armoede en ondervinden stad en platteland hinder van grote aantallen landlopers en bedelaars. Met Veenhuizen doet zich een mogelijkheid voor om van deze mensen af te komen. Daarbij moeten we bedenken dat men in die tijd al snel het predikaat ‘bedelaar’ krijgt. Het ontbreken van vast werk en dito verblijfplaats is al voldoende. 

De omstandigheden in Veenhuizen zijn zwaar en de medische verzorging belabberd. Bewoners verdienen hun vrijheid terug met hard fabriekswerk of werk op het land. Hoe een zelfstandig bestaan op te bouwen buiten de kolonie leren ze echter niet. Daardoor belanden de meesten na ontslag weer op straat en kiezen er vaak voor om terug te keren. Zeker tijdens strenge winters prefereren zij een veilig onderdak en een gegarandeerd – karig – maal boven het onzekere bestaan op straat. 

Johannes heeft dezelfde afweging gemaakt en is teruggekomen. Is hij ondertussen bij zijn familie langsgeweest? Heeft hij hulp gezocht? Hij moet een reden hebben gehad voor de lange reis van Veenhuizen naar Utrecht. Of is hij simpelweg naar de enige plaats gereisd die hij kent? In ieder geval heeft hij niet gevonden wat hij zocht. 

Overlijden vader
Terwijl Johannes verblijft in Veenhuizen sterft op 9 februari 1845 zijn vader. Als oudste zoon is hij de belangrijkste erfgenaam en zijn vader is niet onbemiddeld. Zo is die sinds 1829 eigenaar van het huis dat hij bewoont, Loeff Berchmakerstraat 179. Toch blijft Johannes tot mei 1948 in de bedelaarskolonie. Weet hij niet dat zijn vader is overleden? Krijgt hij geen bericht? Of erft hij niets? Ik vermoed het laatste, want dat past in het beeld dat hij geen hulp krijgt van zijn familie. Een andere aanwijzing is het huwelijk van zijn enige, jongere broer Hendrik, zes maanden na het overlijden van vader, zo snel mogelijk na de periode van zware rouw. Heeft Hendrik het leeuwendeel van de erfenis gekregen? We weten het niet. Zeker is dat Johannes niet geprofiteerd heeft van de dood van zijn vader.

Drie keer is scheepsrecht 

Inschrijfregister Ommerschans, linkerblad

Ook na zijn ontslag in 1848 slaagt Johannes er niet in om buiten de kolonie het hoofd boven water te houden, want anderhalve maand later staat hij alweer voor de poort. We zien hem hier op de een na laatste regel, met het drietje achter zijn naam. Helemaal rechts zien we dat hij deze keer niet terug naar Utrecht is gereisd, maar gekozen heeft voor het nabije Zwolle. 


Inschrijfregister Ommerschans, rechterblad

Op de rechterbladzijde – weer de een na laatste regel – lezen we achtereenvolgens: Bevorens N 3634  Gevonnisd, Utrecht en 13 december 1852 ontslagen. 3634 is zijn nummer van de vorige opname en gevonnisd betekent dat zijn opname deze keer niet vrijwillig is. Hij is in Zwolle opgepakt en veroordeeld voor bedelarij en/of landloperij. De ontslagdatum leert ons tenslotte dat hij weer vier jaar in Veenhuizen zal verblijven.    

Nadere bijzonderheden over het leven van Johannes in Veenhuizen heb ik niet. Daarvoor moet ik mutatieregisters in het Drents Archief doorpluizen en daarvoor ben ik nog niet in de gelegenheid geweest. Wel weet ik dat hij uiterlijk 1851 Joanna Catharina Wirtz leert kennen, zijn toekomstige vrouw. 


zondag 6 mei 2018

Een bedelaar van stand - Deel 1

Johannes Menzo (1808 – 1882), betovergrootvader


Op het grasland achter het huis graasden een paard en enkele koeien, waaronder die van het zogenoemde "lakenvelder" ras. Op de deel was stalruimte voor een aantal beesten. Op het land stond ook nog een arbeiderswoning, die Jager had verhuurd aan Johannes Menzo. Deze was een uit Utrecht afkomstige barbier, terwijl diens vrouw Trijntje Wierth helemaal uit Antwerpen kwam. 


Een korte passage uit een artikel van Wim Visscher over Geert Jager (1), de naamgever van een wijk in Dedemsvaart. Je leest eroverheen als je niet weet wie Johannes Menzo (2) en Trijntje Wierth zijn. Misschien vraag je je een moment af hoe een barbier uit Utrecht en een vrouw uit Antwerpen in een Dedemsvaarts arbeidershuisje verzeild raken.

De Ommerschans

De Ommerschans
Dedemsvaart ligt op schootsafstand van de Ommerschans en bij een genealoog gaat nu een lampje branden. In 1819 stichtte de Maatschappij van Weldadigheid daar namelijk een bedelaarskolonie, waar Johannes Menzo op maandag 7 december 1842 wordt ingeschreven:

Inschrijving Johannes Menzo in Ommerschans

Er staat dat hij gereformeerd is en aangekomen uit Utrecht. Zijn geboortedatum is 17 mei 1808, dus is hij 34 jaar oud. Als we verder bladeren, zien we dat hij onderdeel uitmaakt van een groepje van 11 bedelaars uit Utrecht dat op deze dag aanklopt. Daaronder bevindt zich Justinus Mackaay, 39 jaar oud, voor wie dit de derde keer is, en Berendina Oostveen met haar twee jaar oude zoon, die hier ook al eerder was. Misschien is Dorothea van Voorst nog wel het meest te beklagen, met haar dochtertje van vijf maanden. Van een Trijntje Wierth is nog geen sprake, Johannes is vrijgezel. 

Op het rechterblad van de inschrijving vinden we een beschrijving van zijn uiterlijk:



Hij is 1.78 lang, wat groot is voor die tijd. Zijn vader meet bijvoorbeeld slechts 1.62 meter. Verder heeft hij een ovaal aangezicht, bruin haar en blauwe ogen, een dikke neus, kleine mond, ronde kin en geen ‘merkbare teekenen’. Althans, volgens degene die dit alles noteerde...


Tenslotte lezen we dat hij twee weken later, op 22 december 1842, is overgeplaatst naar de bedelaarskolonie Veenhuizen en op 7 februari 1844 aldaar is ontslagen. Bedelaars komen altijd aan in de Ommerschans en worden na onderzoek en wasbeurten overgebracht naar Veenhuizen, voorzien van een nieuwe set kleren.

Aanzienlijk geslacht
Blijven we met de vraag zitten hoe een telg uit een geslacht van geestelijken en andere aanzienlijken, dat helemaal terug te volgen is tot Jan Mensinck (ca 1565-1630), koster van de Groote Kerk te Zwolle, in een bedelaarskolonie verzeild raakt.

Zijn overgrootvader is een kind van drie generaties predikanten en Raad en Schepen van Rhenen. Grootvader is predikant en (vreemd genoeg) legerkapitein en de vader van Johannes – daar zet het verval in – baardscheerder, winkelier en op latere leeftijd majoor bij de Utrechtse nachtwacht. En al klinkt dat laatste imposanter dan het is, toch wijst niets op een aankomend bedelaarsbestaan van diens oudste zoon.
Dus wat is er gebeurd met Johannes?

Doop

Doopregister

Johannes wordt op 22 mei 1808 gedoopt in de Utrechtse Jacobikerk als oudste zoon van Johannes Menzo en Susanna Maria de Ruijter. We zagen dat geboortedatum in het inschrijfregister van Ommerschans 17 mei is, vijf dagen eerder. Meestal worden kinderen sneller gedoopt, dus wellicht is die datum onjuist.

Er was een oudere zus, die dan echter al is overleden. Er volgen nog zeven kinderen, waarvan drie uit een tweede huwelijk van Johannes sr.

Volkstelling 1825
FamilySearch noemt dit een volkstelling uit 1820, maar op basis van de genoteerde leeftijden moet deze zomer 1825 hebben plaatsgevonden.

Volkstelling 1825

Het gezin woont in de Potterstraat, waar het een huis deelt met twee kleinere gezinnen: dat van een zadelmaker en een kleermaker. Johannes senior is ‘winkelier en baardscheerder’. De buren zijn net als de medebewoners ambachtslieden. Het lijkt een nette straat te zijn.

Johannes’ moeder is twee jaar eerder overleden en zijn vader in 1824 hertrouwd met Christina van Leeuwen, die we hier vermeld zien. De 17-jarige Johannes is ‘baard scheerder’ en waarschijnlijk in de leer geweest bij zijn vader. De andere gezinsleden zijn zusje Susanna Maria en de twee broertjes Hendrik en Willem. We missen zus Willemiene Geertruijda die dan 15 of 16 jaar oud is en vermoedelijk al een dienstje buiten de deur heeft. 

Volkstelling 1830
Het gezin is verhuisd naar de Loefballemakerstraat (tegenwoordig Loeff Berchmakerstraat) 173 en zal hier blijven wonen tot het overlijden van Johannes senior in 1845.

Akte verkoop Loeff Berchmakerstraat 173

Johannes Sr. heeft dit huis op 1 juni 1829 gekocht van Huijbert Jansen, winkelier, en diens vrouw. Hij is dus niet onbemiddeld. De buurt lijkt vergelijkbaar met de Potterstraat, met buren als een kleermaker, schoenmaker, behanger, koopman en kopergieter. 

Volkstelling 1830

Ook hier delen ze het huis, en wel met het gemêleerde gezelschap van een bejaard echtpaar, een Duitse ‘Gewezen militair thans wever’ en een timmermansknecht met zijn vrouw. Waarschijnlijk zijn het onderhuurders van huiseigenaar Johannes senior.

Deze is inmiddels ‘Majoor der Nagtwakers’ wat wellicht de reden voor de verhuizing is, al wordt hij in de koopakte van het nieuwe huis ‘winkelier’ genoemd. Johannes jr. is nog steeds baardscheerder, en werkt vermoedelijk buiten de deur bij/voor een barbier, nu zijn vader ander emplooi heeft gevonden. De broertjes Hendrik en Willem zijn schrijnwerkers en er is een nieuw gezinslid: Wilhelmina Christina, het eerste kind dat Johannes senior bij zijn tweede vrouw heeft verwekt. De zussen Willemiena Geertruijda en Susanna Maria wonen als dienstmeid bij hun werkgever. De eerste bij een weduwe en haar gezin, de tweede bij een hoogleraar en diens vrouw en kinderen. 


Volkstelling 1840
Volkstelling 1840

Twee jaar voordat Johannes naar de Ommerschans wordt getransporteerd heeft het timmermansechtpaar een dochter gekregen, is het bejaarde stel overleden (hij in 1831, zij in 1835), de Duitse ex-militair met de noorderzon vertrokken en woont Johannes junior nog steeds thuis, 31 jaar oud.

Wat hiervan te denken? Het is niet ongewoon dat hij nog vrijgezel is. Van zijn broers en zussen trouwt alleen Willemiene Geertruijda voor haar 30ste. Dat hij nog bij zijn (stief)ouders woont is wel bijzonder. De meisjes waren op hun 16e al het huis uit en jongere broer Hendrik, nu 27, is ook al vertrokken, ongetrouwd en wel. Broertje Willem is in 1837 overleden.

Johannes woont dus bij zijn vader, stiefmoeder en twee halfzusjes. In naam is hij ‘barbier’, wat in die tijd een ruim begrip is, en blijkbaar verdient hij daar niet genoeg mee om zelfstandig te kunnen leven. Of vindt hij het wel best zo? Is het gewaagd te veronderstellen dat hij op enig moment in de komende twee jaar het huis is uitgeschopt?     

In ieder geval is er iets gebeurd waardoor Johannes zijn comfortabele vangnet heeft (moeten) verlaten, zich niet heeft kunnen redden, en op straat is beland. Noch zijn ouders, noch zijn zussen of zijn broer zijn bereid geweest hem te helpen, danwel heeft hij hun hulp geweigerd. Hoe dan ook, slechts twee jaar na deze volkstelling is Johannes een bedelaar en wordt hij door de stad Utrecht op transport gezet naar de Ommerschans.

(1) Uit kwartaalblad van de Historische vereniging Avereest, jaargang 17, 2000, nr. 3, W. Visscher, Geert Jager (1811-1867).
(2) Johannes Menzo is een voorouder van Hubertszijde. Zijn kleindochter Trinet Menzo is de moeder van mijn vader.   

maandag 12 maart 2018

Een schippersche - Deel 3

Jacoba Haaitsma (1861-1934)


Wat heeft Jacoba gedaan in het jaar tussen 31 augustus 1891 – de dag van haar mishandeling – en 6 augustus 1892 – de datum waarop ze met Albert Koster trouwt? Ja, ze is met hem naar bed geweest, maar waar?

In alle stukken van haar echtscheiding staat dat ze in Smilde woont, en het certificaat van onvermogen is afgegeven door de burgemeester van die plaats. Ze zal echter moeite hebben gehad huur op te brengen en in de huwelijksakte van haar tweede huwelijk staat dat ze in Zwolle woont. Wellicht is ze bij zus Pietertje ingetrokken, die daar dan met haar man en 1 jaar oude dochtertje leeft. Een andere mogelijkheid is dat ze in Zwolle nog steeds op het schip woont waarvan haar ex-man kapitein was. Onwaarschijnlijk ja, maar een mogelijkheid die we niet helemaal mogen uitsluiten, zoals we zullen zien.   

Albert Koster
Zwolle is ook een aannemelijker locatie dan Smilde voor een ontmoeting met een schippersknecht uit Hoogeveen. In tegenstelling tot Hendrik Andijk komt Albert Koster wel uit een typisch schippersgeslacht. Zowel zijn vader Albert, grootvader Albert Frederiks als overgrootvader Frederik Harmens was schipper (van eerdere generaties heb ik het beroep niet weten te achterhalen).

Detail overlijdensakte Albert Koster

Of het huwelijk met Albert wél gelukkig is, weet ik niet. Het duurt in ieder geval nog geen twee jaar, omdat hij al op 2 juli 1894 in Hoogeveen overlijdt 'aan boord van zijn vaartuig, liggende voor de woning van Lambert Harms Botter, streek noord, wijk A, nummer zeven.'

Detail geboorteakte Barbera Koster

In de tussentijd is op 4 februari 1893 het kind geboren waarvan Jacoba tijdens het huwelijk zwanger was: een meisje, Barbera. Aan boord natuurlijk, te Zwartsluis. Als Albert de geboorte aangeeft, zegt hij dat hij schipper is, terwijl hij ten tijde van het huwelijk nog schippersknecht was.

Dit soort zelfverklaarde beroepen kunnen we niet altijd serieus nemen. Ik ben heel wat knechten tegengekomen die bij de aangifte van een geboorte opeens verklaren schipper te zijn. Betrouwbaarder is in dit geval Albert’s overlijdensakte, waarin eveneens staat dat hij schipper is. Blijkbaar is hij eigenaar van een schip geworden of voert hij het bevel over een rederijschip.

Albert Koster jr.
Als Albert overlijdt, is Jacoba in verwachting. Het kind, een zoon die ze Albert noemt (toch een gelukkig huwelijk?), wordt 14 januari 1895 geboren en overlijdt amper twee maanden later, op 4 maart, in beide gevallen aan boord van het schip dat aan de Beestenmarkt in Zwolle ligt.

Detail overlijdensakte Albert Koster jr. 

Hoewel hij maar een paar maanden leeft, is Albert belangrijk. Zoals ik in Deel 1 al schreef, krijg je vaak pas te zien wat een getrouwde vrouw werkelijk doet als ze weduwe is. Ook hier is dit het geval, want zowel in de geboorte- als de overlijdensakte van Albert wordt Jacoba omschreven als ‘doende het schippersbedrijf’.

Geen schippersche deze keer, geen vrouw die met haar echtgenoot meevaart, maar een vrouw die het bevel voert over een binnenvaartschip. Een andere manier om ‘doende het schippersbedrijf’ te interpreteren zie ik niet.

Opeens krijgt alles wat ik over Jacoba weet een andere betekenis. Hoe heeft een dronkenlap als Hendrik jarenlang schipper kunnen zijn, en waarom raakt hij dat bevel kwijt na de echtscheiding? Waarom wordt Jacoba in de tweede huwelijksakte schippersche genoemd? Waarom is Albert een schippersknecht als hij met Jacoba trouwt en nog geen half jaar later schipper? Waarom leeft Jacoba na de dood van Albert nog steeds aan boord van een (zijn, haar?) schip?

Het derde huwelijk
Mijn vermoedens over de rol die Jacoba in dit alles speelt worden bevestigd door de huwelijksakte van haar derde huwelijk. Ze trouwt namelijk op 7 november 1895 te Zwolle met Johannes Koelink, een 10 jaar jongere schippersknecht en ja, ze is zwanger.

Detail huwelijksakte derde huwelijk

Belangrijker is dat Jacoba in de akte wordt omschreven als ‘doende schippersbedrijf’ en dat Johannes niet kan schrijven: ‘verklarende de comparant zomede zijn vader hunne namen niet te kunnen teekenen als het schrijven niet te hebben geleerd.’

Ondanks dit gebrek wordt Johannes in akten over de periode 1898 – 1923 steevast omschreven als schipper. Hoe voer je begin twintigste eeuw als analfabeet het bevel over een binnenvaartschip? Hoe houd je de administratie bij, weet je waar en wanneer je wat moet laden en lossen? De verklaring ligt in dit geval voor de hand.

Epiloog
Jacoba krijgt met Johannes nog vier kinderen, waarvan drie zonen. Zoon Hendrik is ten tijde van zijn huwelijk schipper, Johannes bij zijn overlijden in 1945 kapitein op de binnenvaart en Jan is in 1924 een dekknecht.

Thorbeckegracht 79a Zwolle

Jacoba zelf overlijdt op 7 oktober 1934 te Zwolle, in het huis Thorbeckegracht 79a, op steenworp afstand van de Beestenmarkt, waar haar schip zo vaak heeft gelegen en waar vijf van haar kinderen zijn geboren. Ze is 73 jaar oud geworden. In de overlijdensakte staat ‘zonder beroep’. Wij weten wel beter.

Johannes blijft weduwnaar tot zijn overlijden, op 22 februari 1960 te Warnsveld. Anderhalf jaar later word ik geboren. Soms is het verleden vlakbij. 

dinsdag 6 maart 2018

Een schippersche - Deel 2

Jacoba Haaitsma (1861-1934)


Het eerste huwelijk

In mijn stamboom hebben schippersfamilies een uitgesproken neiging onderling te trouwen. Zo trouwen alle vijf de dochters van Jacoba met schippers. Zelf is ze een arbeidersdochter, zonder enige band met de binnenvaart. Hendrik Andijk, de schipper met wie ze op 1 augustus 1883 te Assen trouwt, komt ook niet uit een schippersgeslacht. Zijn vader is weliswaar schipper, doch de grootvaders waren respectievelijk arbeider en koeboer.

Handtekeningen huwelijksakte

Zwanger

Net als bij haar tweede huwelijk is Jacoba zwanger, deze keer al vijf maanden. Dit brengt ons op de vraag hoe Hendrik en Jacoba elkaar hebben leren kennen. In de akte staat dat Hendrik in Deventer woont en Jacoba in Assen. Die plaatsen liggen zo’n 100 kilometer uit elkaar, nogal een afstand in die tijd. Daarbij moeten we echter bedenken dat de woonplaats van Hendrik een administratieve is: in de praktijk leeft hij op zijn schip en zal hij op Assen hebben gevaren, waar hij Jacoba heeft ontmoet. Jacoba woont vermoedelijk nog bij haar ouders, die inmiddels van Smilde naar Assen zijn verhuisd.

Twee dochters
Dochter Hendrina wordt vier maanden later geboren in Bovensmilde, waar Hendrik en Jacoba een huis bewonen. Ze is tevens het enige van Jacoba’s elf kinderen dat aan land ter wereld komt. Zo wordt Mijndina, haar tweede dochter, volgens de akte op 28 juli 1885 geboren ‘aan boord van zijn vaartuig, liggende in het rogat in deze gemeente’. Rogat is een dorp tussen Meppel en De Wijk, gelegen aan de Hoogeveense Vaart.

Binnenvaartschip, liggende aan de Beestenmarkt te Zwolle, ca 1900

Nog twee dochters

Anderhalf jaar later krijgt Jacoba een derde dochter, Anna, aan boord van het schip dat aan de Beestenmarkt (nu: Harm Smeengekade) in Zwolle ligt. Dit zal een vertrouwde aanlegplaats blijken te zijn. Anna overlijdt nog geen twee jaar later, wederom aan boord, in de Hoofdvaart bij Kloosterveen.

Dit overlijden is zo’n gebeurtenis waarbij ik me afvraag hoe het leven aan boord voor Jacoba is. Ze zit met een doodziek kind, het bedrijf moet door, het schip stilleggen en een dokter zoeken is geen vanzelfsprekendheid, er zijn geen behulpzame buren waar ze een beroep op kan doen. Ze moet zich vaak alleen hebben gevoeld, lijkt me, als enige vrouw aan boord, met verder alleen haar man, misschien een paar knechten en drie kleine kinderen.

Een jaar later, op 2 mei 1889, wordt aan boord in de Achtergracht te Zwolle haar vierde dochter geboren, die weer Anna heet.

Een bewogen jaar
Het jaar 1890 is een bewogen jaar voor Jacoba. Op twee januari trouwt broer Jan in Brakel en op 1 mei zus Pietertje te Zwolle. Er zijn geen aanwijzingen dat Jacoba bij deze huwelijken aanwezig is. Vervolgens overlijdt haar vader op 8 juni. Twee maanden later in Zwolle, op 31 augustus, mishandelt Hendrik Jacoba zo ernstig, dat de politie tussenbeide moet komen:


‘(...) toen hij dronken aan boord komende van het door hem bevaren wordende vaartuig, haar zulke geweldige slagen aan hoofd en borst toebracht dat zij bewusteloos neerzeeg, en door de politie van de verdere mishandelingen van haren echtgenoot werd bevrijd.’   

Dat dit geen incident is, valt eerder in het document te lezen:

‘(...) dat dit huwelijk van den beginne af steeds ongelukkig was, dat evenwel de toestand in den laatsten tijd niet meer houdbaar is, haar echtgenoot meestal dronken, haar in de laatste maanden meermalen met den dood heeft bedreigd en levensgevaarlijk heeft mishandeld (...)’  

Dit is een nogal ontnuchterende kijk achter de akten. Jacoba is blijkbaar – vanwege haar zwangerschap? – in een huwelijk beland waarin zij stelselmatig wordt mishandeld door een dronkenlap van een echtgenoot. Een huwelijk dat, op het moment van deze laatste gebeurtenis, al zeven jaar duurt.

Echtscheiding
Wat te doen, als ongelukkig getrouwde vrouw aan het eind van de negentiende eeuw? Echtscheiding is vanaf 1838 mogelijk op vier gronden:

  1. Overspel
  2. Verkwisting
  3. Veroordeling tot gevangenisstraf wegens misdrijf
  4. Mishandeling

Er wordt echter weinig gebruik van gemaakt. In de jaren 1889-1891 zijn in Nederland 1.157 echtscheidingen ingeschreven bij bevolkingsregisters*, ofwel zo’n 385 per jaar (2016: 33.414). Als je daarbij bedenkt dat ruim de helft ervan is ingeschreven in een van de drie grote steden (’s-Gravenhage, Rotterdam, Amsterdam), kun je je misschien voorstellen hoe onbereikbaar een echtscheiding voor een schippersche uit Smilde moet hebben geleken.

Temeer daar Jacoba alleen mishandeling heeft als mogelijke grond. Hoe bewijs je dat je mishandeld wordt als je op een schip woont waar geen andere getuigen zijn dan mogelijk een paar knechten die afhankelijk zijn van de dader? Ik vermoed dat de tussenkomst van de politie voor Jacoba een zegen is geweest, en een kantelpunt betekent.

Er is namelijk proces-verbaal opgemaakt van de mishandeling, waaruit wordt geciteerd in bovenstaand document. Het betreft een verzoek tot aanvaarding van een certificaat van onvermogen omdat Jacoba geen geld heeft om zelf de proceskosten van een echtscheiding te betalen. Het certificaat is afgegeven in Smilde en gedateerd op 16 september 1890, twee weken na de mishandeling in Zwolle. Ze laat er duidelijk geen gras over groeien.

Certificaat van onvermogen

Uitspraak
Het verzoek om het certificaat te accepteren wordt op 20 september gehonoreerd en het proces (helaas zijn de stukken onvindbaar) bij de Arrondissementrechtbank van Assen leidt op 31 mei 1891 tot een uitspraak in Jacoba’s voordeel: echtscheiding.

Zij laat dit zelf op 19 juni 1891 registreren bij het bevolkingsregister van Smilde. In heel Drenthe vinden dat jaar nog geen 10 registraties van echtscheidingen plaats (25 in totaal over de jaren 1889-1891*).

Bij deze registratie valt op dat Hendrik voor het eerst niet ‘schipper’ maar ‘schippersknecht’ wordt genoemd. Is hij met Jacoba ook zijn schip kwijtgeraakt? Jacoba’s omschrijving is uiteraard ‘zonder beroep’.


Hendrik Andijk

Hendrik neemt overigens niet de moeite te verschijnen in de rechtbank en alles wijst erop dat hij uit het leven van Jacoba verdwijnt. In bovenstaand vonnis staat dat hij verblijf houdt in Arnhem en bij de huwelijken van Hendrina en Mijndina in 1906 en dat van Anna in 1910 staat in de akten dat zijn woon- of verblijfplaats onbekend is bij zowel de bruid als haar moeder.

Detail overlijdensakte Hendrik Andijk

Hendrik hertrouwt niet en overlijdt op 21 maart 1920 te Eindhoven, 65 jaar oud. Opmerkelijk genoeg staat in de overlijdensakte dat hij echtgenoot is van ene ‘Jacoba Aisma’. Heeft hij de echtscheiding nooit kunnen verkroppen?

Eind goed al goed?
Eind goed, al goed voor Jacoba? Natuurlijk niet. Ze blijft achter zonder man, zonder schip, zonder inkomen en met drie kleine kinderen. We zagen in Deel 1 van dit verhaal al dat deze situatie ruim een jaar duurt, tot ze trouwt met Albert Koster. En daar pakken we in Deel 3 de draad weer op.

* Bron: Frans van Poppel, Trouwen in Nederland, Een historisch-demografische studie van de 19e en vroeg-20e eeuw. 

donderdag 1 maart 2018

Een schippersche - Deel 1

Jacoba Haaitsma (1861-1934)


Huwelijksakte
Gemeentehuis Hoogeveen (bron: Hoogeveen2000.com)

Als Jacoba op zaterdag 6 augustus 1892 het gemeentehuis van Hoogeveen binnenstapt is ze drie maanden zwanger. De man met wie ze die dag gaat trouwen – en de vermoedelijke veroorzaker – is Albert Koster, een 37-jarige schippersknecht uit dezelfde plaats. Hij is tevens de reden dat Jacoba onderdeel uitmaakt van mijn stamboom, want hij is een broer van overgrootmoeder Geesje. Het is zijn eerste huwelijk en haar tweede. Ik begin dit verhaal over Jacoba hier omdat zij in de huwelijksakte ‘schippersche’ wordt genoemd.

Detail huwelijksakte

In de 19e eeuw is ‘zonder beroep’ de standaardomschrijving voor de bezigheden van een getrouwde vrouw. Waar een ongehuwd meisje nog wel eens dienstbode of naaister is, heeft een echtgenote alleen bij hoge uitzondering een beroep, en krijgen we vaak pas een kijkje achter de schermen als de echtgenoot overlijdt en de weduwe opeens landbouwerse, tapperse of fabrieksarbeidster blijkt te zijn. En hoewel de vaak grote gezinnen weinig ruimte laten voor een baan bekruipt me iedere keer als ik ‘zonder beroep’ lees het gevoel dat er meer achter zit.

Zo ook bij Jacoba, die tot aan dit tweede huwelijk in acht verschillende akten de omschrijving ‘zonder beroep’ meekrijgt en nu opeens schippersche wordt genoemd. Dat is om meerdere redenen vreemd; zo geeft debinnenvaart.nl als definitie: de echtgenote van een schipper, maar vaak ook zij die dezelfde positie aan boord bekleedt.

Jacoba is echter niet meer getrouwd, dus op welk schip is zij dan schippersche? Albert is een schippersknecht, geen schipper, en het is alleen al daarom onwaarschijnlijk dat ze met hem meevaart, laat staan als ongetrouwde vrouw. Wordt ze alleen zo genoemd omdat haar eerste echtgenoot een schipper(sknecht) was? Maar dat schip is met hem verdwenen. Hoe kan ze een schippersche zonder schip zijn? 

Dit ene woord, en de vragen die het oproept, leidt ertoe dat ik me in Jacoba ben gaan verdiepen en hoewel ik nog vol vragen zit, weet ik nu genoeg over deze bijzondere vrouw om een paar berichten aan haar te wijden.

Laten we daarvoor beginnen bij het begin.

Geboorte  

Geboorteakte Jacoba Haaitsma

Jacoba wordt 9 augustus 1861 geboren in Smilde, als oudste dochter Jelke Jans Haaitsma, arbeider, en Meintje Jans Dik. Een vroedmeester geeft de geboorte aan, wat ongebruikelijk is. Is het een lastige bevalling? Blijft de vader daarom liever bij vrouw en kind dan de geboorte aan te geven?

Het gezin
Jacoba heeft een drie jaar oudere broer Jan, buitenechtelijk geboren en erkend bij het huwelijk van de ouders in 1860. Na Jacoba krijgt Meintje nog vier kinderen, waarvan twee levenloos ter wereld komen en eentje slechts een dag leeft; meer aanwijzingen dat haar zwangerschappen moeizaam verlopen. Alleen Pietertje, geboren in 1867, groeit op en trouwt in 1890 te Zwolle met Karel Kristoffer Ester, een ijzergieter.

Familiebericht Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 08-10-1934

Ze krijgt met hem drie kinderen, waarvan de opmerkelijkste Hermina is, die in 1922 als naaister in Berlijn (!) werkt, daar trouwt met de biscuitbakker Otto Wilhelm Christian Hasslinger, met wie ze na enige omzwervingen in 1938 in Freiburg, Zwitserland belandt. Ik vind daar nu een Stephan Hasslinger, kunstenaar, geboren in 1960. De naam Hasslinger komt er weinig voor. Een kleinzoon? Ik durf hem er niet over lastig te vallen.

Ook over broer Jan is meer te vertellen. Hij is namelijk een van de opmerkelijkste veroorzakers van social climbing in mijn stamboom. Als gepasporteerd marechaussee wordt hij gemeenteveldwachter en trouwt in 1890 te Brakel met Elke van Wijgerden. Een jaar later wordt hij benoemd tot Rijksveldwachter 3e klasse. In die functie voorkomt hij in 1898 (mede) dat een boerderij afbrandt, een daad die de landelijke pers haalt:

Nieuwsblad van het Noorden 06-08-1898

Zijn kinderen onderscheiden zich eveneens. Dochter Jansje trouwt met een fabrieks-chef, zoon Dirk huwt als legerofficier een burgemeesterdochter en zoon Johan is architect als hij in 1936 het overlijden van zijn vader aangeeft.

Kortom, zelfs zonder Jacoba is dit een bijzonder gezin. Een kwestie van genen? Het zou een hoop verklaren, zoals het einde van het eerste huwelijk van Jacoba, waaraan Deel 2 van dit verhaal aan gewijd zal zijn.