Posts tonen met het label Wijnen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wijnen. Alle posts tonen

vrijdag 12 augustus 2022

Een ongelukkig toeval

Catharina Pluijmen (1833 – 1858)
Petrus (Peter) Wijnen (1830 – 1858)

Kleine plaatsen zorgen voor grote toevalligheden, zo ook het kerkdorp Haelen, dat ten westen van de Maas ligt, noordwestelijk van Roermond. De gemeente Haelen heeft tegenwoordig zo’n 4.400 inwoners, in het jaar 1859 waren dat er slechts 708. Aangezien de gebeurtenissen waarover ik het ga hebben zich afspelen in 1858, zal het toenmalige inwonertal daar weinig van afwijken.  

Een zich vervelende ambtenaar van de burgerlijke stand is een van de gevolgen van zo weinig inwoners. In 1858 werden er in Haelen 19 kinderen geboren, trouwden 9 echtparen en stierven er 20 mensen. Wat deed de ambtenaar de overige 317 dagen? En ja, ik heb gekeken of 1858 een schrikkeljaar was. Niet dus. 

Overlijdensakte van Catharina Pluijmen

Op 17 september had hij in ieder geval iets te doen, want die dag meldt Peter Wijnen zich bij hem om het overlijden van zijn vrouw Catharina Pluijmen aan te geven. Zij is eerder die dag overleden, ’s ochtends om zeven uur. Peter is een 28 jaar oude timmerman. Hij wordt vergezeld door Arnoldus Pluijmen, een huisschilder die een broer van Catharina is. Een overlijdensoorzaak wordt niet vermeld. Catharina is 25 jaar oud geworden. 

Overlijdensakte van Peter Wijnen

Nog geen maand later staat Cornelis Wijnen, een jongere broer van Peter, tegenover dezelfde ambtenaar, om het overlijden van Peter aan te geven. Hij is 23 jaar oud en ook timmerman. Het is 15 oktober en Peter is dezelfde dag, ’s ochtends om zes uur, overleden. Cornelis wordt vergezeld door Petrus Aarts, een nabuur van Peter. Ook hier staat geen overlijdensoorzaak vermeld. Peter is 28 jaar oud geworden. 

Het toeval bestaat hierin, dat beide overlijdensakten op dezelfde pagina onder elkaar staan, omdat er in Haelen in de tussentijd geen overlijdensaangifte is gedaan. Dus waar Peter bovenaan de pagina nog leeft, is hij 15 centimeter lager dood. Triest om dat zo dicht bij elkaar te zien. 

Waaraan zijn ze overleden, deze jonge mensen? Ik heb geen aanwijzingen kunnen vinden voor besmettelijke ziektes. De overledenen in Haelen zijn over het jaar verdeeld en het aantal wijkt niet of nauwelijks af van de jaren ervoor en erna. Catharina is eerder dat jaar, op 2 mei, van de dochter Maria Elisabeth bevallen, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat ze daar 4,5 maand later aan overlijdt. Nee, ik zal er waarschijnlijk nooit achter komen. En toch, is het toeval dat deze jonge echtelieden binnen een maand na elkaar overlijden?

Overlijdensakte Petronella Hendrix

Als ik verder kijk in het overlijdensregister wordt het toeval nog ongelukkiger. Onderaan de tegenoverliggende pagina staat het overlijden van Peters moeder Petronella Hendrix vermeld. Zij is overleden op 21 augustus. De aangifte wordt twee dagen later gedaan door Peters vader die ook Peter heet, ook timmerman is en 59 jaar oud. Hij wordt vergezeld door Martinus Stoks, herbergier en een bekende van de overledene.   

De twee bladzijden in het overlijdensregister

Dus in augustus, september en oktober 1958 overlijden drie mensen in Haelen, verwanten van elkaar, van wie de akten achter elkaar in het register staan. Toen ik dit ontdekte heb ik een paar minuten stil gezeten.

Om met een vrolijker noot te eindigen: wat gebeurde er met dochter Maria Elisabeth die, nog geen half jaar oud, wees werd? Ik heb er niet achter kunnen komen door wie zij werd opgevangen. Als zij echter op 26 mei 1886 in Herten trouwt, woont ze (nog steeds, weer?) in Haelen. Ze trouwt met Mathis Hubertus Hannen, een bakker met wie ze 11 kinderen zal krijgen. Ze overlijdt in 1929, 71 jaar oud. 


zondag 7 augustus 2022

What's in a name?

Pierre Looven (1806 – 1862)
Anne Marguerite Wijnen (1816 – 1893)

Op dinsdag 21 november 1837 trouwen te Swalmen Pierre Looven en Anne Marguerite Wijnen. Hij is een 31 jaar oude schaapherder, zij een tien jaar jongere dienstmeid. Omdat ze in de Franse tijd zijn geboren (Anne Marguerite net erna), worden in de geboorteregisters hun namen verfranst. Uit latere documenten blijkt dat ze eigenlijk Pieter (ook wel: Peter) Looven en Anna Margaretha Wijnen heten. Die namen staan ook in de huwelijksakte. Het lijkt een onbeduidend detail, maar we zullen zien dat het erg belangrijk is hoe je heet. 


Detail huwelijksakte

Het pasgetrouwde stel gaat in Asselt wonen, een gehucht binnen de gemeente Swalmen, waar een jaar later hun eerste zoon wordt geboren: Jacobus Hubertus Looven. Helaas wordt dit kind slechts een maand oud. Gelukkig is er alweer een jaar later de geboorte van zoon Pieter Hubertus en in de jaren 1842, 1844 en 1847 dochters die allen hun kinderjaren zullen overleven. 

Als in 1850 weer een zoon ter wereld komt, besluiten Pieter en Anna deze ook Jacobus Hubertus te noemen. Dat was in die jaren gebruikelijk. Ik kom dit in mijn stamboom tientallen keren tegen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de vernoemingsregels. Zo moest je je eerste zoon vernoemen naar de vader van de vader. Dat is hier ook gebeurd, de vader van Pieter heette Jacobus. Waar de naam Hubertus vandaan komt, een voornaam die ze aan al hun zes zonen geven, heb ik niet kunnen achterhalen. Het is in ieder geval geen vernoeming naar een grootouder of een overgrootouder.  

De tweede Jacobus Hubertus deelt het lot van de eerste en wordt slechts 13 maanden oud. 

Tien maanden later, in 1852, krijgen Pieter en Anna nog een zoon, die zij uiteraard weer Jacobus Hubertus noemen. En net als zijn twee voorgangers sterft hij zeer jong, na anderhalve maand. 

Na een dochter Petronella Huberdina volgt de zoon Sebastiaan Hubertus, die vernoemd is naar de vader van Anna. Durven Pieter en Anna het niet meer aan om een zoon de namen Jacobus Hubertus te geven? 

Als tenslotte op 22 maart 1861 Anna bevalt van haar zesde zoon en Pieter diens geboorte gaat aangeven – wat hij overigens van al zijn kinderen doet – kan ik me voorstellen dat hij ontzettend twijfelt. Zijn gezin voldoet namelijk niet aan de eerste vernoemingsregel. Hij heeft geen zoon die vernoemd is naar zijn vader, alleen twee die vernoemd zijn naar respectievelijk Pieters grootvader en Anna’s vader. Moet hij nu echt een vierde zoon Jacobus Hubertus noemen, wetend hoe slecht het de eerste drie verging? 

Wat zich in de hoofden van Pieter en Anna heeft afgespeeld is een vraag. Ik weet wel dat ze een oplossing hebben gevonden door de vernoemingsregels wat ruimer te interpreteren. Hoe weet ik dat? Omdat Pieter deze namen opgeeft aan de ambtenaar van de burgerlijke stand: Hubertus Jacobus.


Handtekening Hubertus Jacobus Loven

Hubertus Jacobus wordt een landbouwer die in 1891 met Helena Engelen trouwt en in 1951 overlijdt op de leeftijd van 89 jaar. Het omwisselen van de voornamen heeft dus gewerkt. Hubertus Jacobus krijgt met Helena zes kinderen. Hun laatste kind, geboren in 1902, noemen ze – heel gewaagd – Jacobus Hubertus. 

Hoe dan ook, deze Jacobus Hubertus (roepnaam Jac) leeft lang genoeg om op 22 september 1928 in Thorn te trouwen met Mechtilde Maria Theunissen. Op dat moment is hij boomkweker. Jacobus Hubertus overlijdt begin april 1981, 78 jaar oud, zijn vrouw een paar weken later. 


Familiebericht in Limburgs Dagblad van 7 april 1981

Terwijl zijn vader oud werd dankzij de omwisseling van zijn voornamen, is Jacobus Hubertus de eerste persoon sinds zijn drie vroeggestorven voorouders, die de voornamenvloek weet te trotseren.  


zondag 4 februari 2018

Huwelijken in Hoogeveen en Swalmen, 1825 - 1874

Johanna Elisabeth Hendrika Wijnen (1921 – 1990)


De leden van de twee hoofdtakken van mijn stamboom leefden lange tijd binnen beperkte geografische gebieden. Die van mijn vaderskant in de regio Hoogeveen*, die van mijn moeder in Swalmen en directe omgeving**. Dat biedt mij de mogelijkheid de huwelijkspraktijk binnen deze twee gemeenschappen met elkaar te vergelijken.

1825-1874
De periode die ik daarvoor gebruik is het midden van de 19e eeuw, om precies te zijn de vijftig jaar van 1825 t/m 1874. Ik heb dit tijdvak gekozen omdat de gegevens betrouwbaar en compleet zijn en men nog honkvast is. Ik vergelijk alleen huwelijken waarbij bruidegom en bruid niet eerder getrouwd waren. Voor Hoogeveen levert dat 65 huwelijken op, voor Swalmen 75.

Beroepen
Er zijn grote verschillen tussen de twee gemeenschappen. De Hoogeveeners zijn protestants, de mensen uit Swalmen katholiek, om maar eens iets te noemen. In Hoogeveen leeft men van turf en de binnenvaart, Swalmen is sterk agrarisch. Toch zijn er ook overeenkomsten: beide stambomen zijn in deze periode gevuld met louter werkvolk en kleine zelfstandigen (mijn stamboomonderzoek is een oefening in nederigheid). In Hoogeveen zijn dit respectievelijk arbeiders en binnenvaartschippers, in Swalmen knechten en landbouwers. In onderstaande tabel de beroepen van de bruidegoms, zoals vermeld op de huwelijksakten.

We zien nog een onderscheid: in Swalmen is er het begin van een diversificatie die zich in de jaren erna versterkt voortzet, in Hoogeveen vinden we beroepen die we ook in de 17e eeuw hadden kunnen aantreffen.

Huwelijksleeftijd

Het eerste wat bij vergelijking van de huwelijken opvalt, is het verschil in huwelijksleeftijd.
In Swalmen trouwt men later, en is het verschil in leeftijd tussen bruidegom en bruid groter. Zo is in Hoogeveen bij 40% van de huwelijken de bruid ouder dan de bruidegom, waar dat in Swalmen bij slechts 23% het geval is.

Moetjes 
Zwangerschap kan een verklaring zijn voor een lagere huwelijksleeftijd: men moet dan wel trouwen. Een aanwijzing voor zo’n ‘moetje’ is een kind dat kort na het huwelijk wordt geboren. Ik hanteer daarvoor een maximumtermijn van 7 maanden, met als voorwaarde dat het kind minimaal een jaar blijft leven, om vroeggeboorten uit te sluiten. We krijgen dan het volgende beeld:


In Hoogeveen is bij ruim een kwart van de huwelijken de bruid met zekerheid zwanger, terwijl dat in Swalmen bij slechts een op de tien het geval is. Een opmerkelijk verschil. Is zwangerschap echter wel een reden voor een eerdere huwelijkssluiting? Daarvoor vergelijken we de leeftijden tussen de reguliere huwelijken en de ‘moetjes’.


In Hoogeveen heeft een zwangerschap nauwelijks invloed op de huwelijksleeftijd. Blijkbaar trouwt men op de leeftijd waarop men sexueel actief wordt.


In Swalmen zien we wel een fors verschil. Zonder de ‘moetjes’ zou de gemiddelde huwelijksleeftijd nóg hoger liggen. Het is opvallend dat de leeftijd van de moetjes in Hoogeveen en Swalmen vrijwel gelijk is. Wint nature het hier van nurture?

Conclusies
Conclusies zijn lastig te trekken zonder uitgebreid sociologisch onderzoek onder een grotere hoeveelheid huwelijken. Toch doe ik paar zeer onwetenschappelijke voor-de-vuist-weg pogingen:

  • In Hoogeveen trouwt men zodra men behoefe aan sex heeft (of kort erna...). In Swalmen houdt men zich 4 á 5 jaar in en trouwt dan pas. 
  • Ik denk dat de boerencultuur in Swalmen later trouwen in de hand werkt. Een boerenzoon verdient geen loon, een turfsteker wel. De laatste is dus eerder economisch zelfstandig.
  • Ik heb de indruk dat de kindersterfte in Hoogeveen hoger is dan in Swalmen, wat een reden kan zijn om eerder te trouwen. Daarop kom ik in een later bericht nog terug. 
  • Clichés zijn betrekkelijk: de preutse calvinisten verslaan de katholieke bon vivants op het gebied van moetjes.

Omdat cijfers niet alles zeggen
Johanna Elisabeth Hendrika – Joke – Wijnen was de oudste zus van mijn moeder. Ze werd op 8 juli 1921 geboren, haar ouders gaven elkaar op 29 december 1920 het jawoord. Een moetje dus. Joke kwam lichamelijk gehandicapt ter wereld en haar ouders hebben dat altijd gezien als de straf van God voor hun buitenechtelijke escapades.

Ik heb mijn tante Joke goed gekend, kettingrokend in haar rolstoel, asbakje in de schoot, bittere humor debiterend (en hopeloos verliefd op haar behandelend arts). Ze leefde tot 1976 met haar moeder in een bejaardenhuisje in Ede, daarna alleen. Joke stierf in 1990 en ligt begraven op het RK kerkhof van Ede.

* Hoogeveen, Zuidwolde, Avereest
** Swalmen, Beesel, Maasniel, Buggenum

dinsdag 9 januari 2018

De vlucht naar het noorden


Maria Joanna Hendrickx (1858 - 1945)
Gertrudis Beek (1874 - 1945)



Mijn moeder deed altijd geringschattend over Nederlanders van beneden de rivieren tijdens de Tweede Wereldoorlog: ‘Die hebben de hongerwinter niet meegemaakt.’ Waarop steevast verhalen volgden over haar fietstochten - op een fiets zonder banden! - langs boerderijen, op zoek naar voedsel. Dat ook zij, als inwoner van het Gelderse Ede, die winter geen dag honger heeft geleden, heb ik haar nooit onder ogen durven brengen.

Toch is haar versie me bijgebleven en leefde ook bij mij het idee dat Nederland ten zuiden van de Rijn eind 1944 al was bevrijd. Het lot van Maria Joanna Hendrickx vertelt een ander verhaal.

Maria is een ver familielid van mijn moeder. Ze wordt op 17 maart 1858 geboren in Swalmen en trouwt daar negenentwintig jaar later met Arnoldus Thomassen, een houtkoopman uit hetzelfde dorp. Ze krijgt met hem zes kinderen, totdat hij in 1903 overlijdt, 44 jaar oud. Ze hertrouwt niet, verhuist in de jaren daarna naar Roermond, waar ze begin 1931 woont. Tot zover past ze in het plaatje van zoveel leden uit de stamboom Wijnen. De locatie waar ze overlijdt, op 18 februari 1945, past daar niet in: Sneek.

Wat doet een 86-jarige Limburgse weduwe tijdens de oorlog in Sneek? Ik probeer een aannemelijke theorie te verzinnen en kom niet verder dan logeren bij familie. Haar kinderen zijn de handel in gegaan, een zoon trouwt in Rotterdam, het is mogelijk dat men zich heeft verspreid.

Het is een van de vele vraagtekens die je bij een stamboomonderzoek tegen komt. Lang houd je je er niet mee bezig, want opgelost krijg je ze zelden. In dit geval stuit ik echter een paar dagen later op Gertrudis Beek, 1874 geboren in Swalmen, overleden in Leeuwarden, 17 maart 1945.

Twee bejaarden uit Swalmen die in 1945, een maand na elkaar, in Friesland overlijden? Dat kan geen toeval zijn. Hier is meer aan de hand dan een familiebezoek. Dus duik ik Google in, op zoek naar de situatie in midden Limburg, gedurende de eerste maanden van dat jaar.

De zegeningen van het internet zijn talrijk (hoe deden genealogen dat vroeger?) en ik vind al snel een bijzonder interessante site met alle antwoorden. Eddy van der Noord heeft er zelfs een boek over geschreven.

Voor wie dit niet allemaal wil lezen, geef ik hier een korte versie: januari 1945 ligt Roermond in de frontlinie en evacueren de Duitsers de stad. Ze dwingen de bewoners naar het Duitse Brüggen te lopen, tien kilometer verderop, waar ze in veewagons worden geladen. Een moeizame tocht door Duitsland volgt, waarbij de treinen zelfs door geallieerden onder schot worden genomen.

In Friesland aangekomen is een eerste opvang in Leeuwarden, waar de vervuilde evacueés worden ontluisd, schoon geschrobd en medisch gekeurd. Daarna verspreiden ze zich over de provincie en verblijven ze bij particulieren, totdat ze tussen juni en augustus 1945 terugkeren naar het inmiddels bevrijde Limburg.      

Dat wil zeggen: degenen die het overleven. De website noemt enkele baby’s die tijdens de reis sterven, ik weet dat Maria en Gertrudis nooit zijn teruggekeerd en vraag me af hoeveel andere Limburgers in Friesland hun graf hebben gevonden.


Maria Joanna Hendrickx laat nog een laatste spoor na in Roermond, waar op 20 november 1945 eindelijk haar overlijden wordt geregistreerd, negen maanden na de optekening in Sneek. Mijn moeder is dan al een half jaar bevrijd.

vrijdag 1 december 2017

Pansarts, Pansaers, Panzaer, Pansaert, Pansaerts, Panzaert, Pansers, Spensers, Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Panser, Pantsers of Panster?

Gualterus Pansarts (1693 – 1771)


Doopakte

Geboren worden als Gualterus Pansarts, de eerste keer trouwen als Jacobus Pansaers, de tweede keer als Jacobus Panzaer, in officiële documenten Wolterus Jacobus Pansaert heten en overlijden als Jacobus Pansaerts: je zou er een identiteitscrisis van krijgen.

Jacobus – laten we hem gemakshalve zo noemen – leidt een leven dat even afwisselend is als de spelling van zijn naam. Hij wordt op 26 januari 1693 gedoopt in Sint-Truiden, België, als zoon van Johannes Pansarts en Anna Maria Vandendael. Tweeëntwintig jaar oud trouwt hij in dezelfde stad met Anna Maria Martau, waarmee hij tussen 1716 en 1727 in een sneltreinvaart negen kinderen krijgt.

Exact twee jaar en twee dagen na de geboorte van het laatste kind staat hij in Venlo voor het altaar om voor de tweede keer te trouwen. De bruid is deze keer Sophia Heuskens, in 1704 te Swalmen geboren als dochter van Johannes Heeskens en Petronella Wijnen.

Wat is er in die twee jaar gebeurd? Laat hij in België een vrouw met negen kinderen achter om in Nederland doodleuk met een Limburgs meisje trouwen? Ik vind geen overlijden van Anna Maria Martau, maar dat hoeft weinig te betekenen, want de boeken van Sint-Truiden zijn slecht leesbaar (en ik ben vrij waardeloos in het ontcijferen ervan).

Van de negen kinderen raken acht uit het zicht, alleen Philippus (1720-1772) laat een spoor na. Die trouwt in 1747 te Sint-Truiden met Anna Maria Vandionant (1718-1792), met wie hij tenminste zes kinderen krijgt. Philippus wordt in documenten van 1768 en 1769 genoemd als de zoon aan wie Jacobus al het vruchtgebruik over zijn bezittingen in Sint-Truiden afstaat*. Blijkbaar zijn er verder geen erfgenamen (meer).

Hoe dan ook: Jacobus vestigt zich in Swalmen, gaat op de vertrouwde voet verder en produceert bij Sophia nóg acht kinderen. En daar begint de ellende, want de arme clericus die de dopen noteert weet zich geen raad met de buitenissige Belgische achternaam. Dus heten de kinderen respectievelijk Pantzaert, Pansart, Panzaert, Pansar, Pansart, Panser, Pansar en Pansar. Er lijkt zich op het einde zowaar een consensus af te tekenen.

Helaas gaat bij de volgende generatie die consensus alweer overboord en heten Jacobus’ kleinkinderen Panzaert, Pantzaert, Pansaert, Pansters, Pansers en Spensers.



De achterkleinkinderen maken het helemaal bont door er twaalf varianten op na te houden: Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Pansaert, Panzaert, Panser, Pantsers en Panster.

Daarna wordt de variatie snel kleiner, vooral door een overschot aan dochters en het uitsterven van takken, zodat er heden ten dage nog slechts één achternaam resteert: Pansters.


Overlijdensakte

Jacobus krijgt dit allemaal niet meer mee. Hoewel hij in een document uit november 1769 nog wordt omschreven als 'gesondt ende wel te pas uytgenomen dat hij tegenwoordigh wat geïncomodeert is met eene obstructie op sijne borste'*, overlijdt hij anderhalf jaar later, op 22 maart 1771. Sophia is dan al twaalf jaar dood.

Ter afsluiting: woon je in Limburg, of komt je familie er vandaan en heet je Pansters? Dan kun je er zeker van zijn dat je afkomst in Sint-Truiden ligt, bij een man die de afgelopen eeuwen menige pennenlikker in verwarring heeft gebracht. Bovendien ben je familie van mij, want Sophia Heuskens is een kleindochter van Petrus Wijnen, een oudbetovergrootvader van me. Weet je trouwens wat in het Engelse taalgebied Pansters zijn?

* Bron: Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen.

vrijdag 10 november 2017

De trek naar het zuiden

Mijn ouders hebben elkaar ontmoet omdat hun vaders stomtoevallig op hetzelfde moment in dezelfde plaats (Ede) waren gelegerd. Contact tussen deze twee zo verschillende families – de Drentse turfschippers Huberts versus de Limburgse landbouwers Wijnen – zou anders uitgesloten zijn geweest. Dat dacht ik tenminste, totdat ik op Johannes Eshuis stuit, lid van de Huberts-stamboom.

Johannes wordt in 1880 in Hoogeveen geboren, als oudste zoon van Arend Eshuis, binnenvaartschipper. Als Johannes in 1903 te Hoogeveen trouwt met Margje Slender, dochter van een scheepstimmerman, is hij inmiddels zelf schipper. Tot mijn verbazing vind ik echter dat hij in 1970 in Treebeek is begraven. Treebeek ligt in Zuid-Limburg.

En zo zijn er meer. Lambert Nijmeijer wordt in 1895 geboren in Hoogeveen, maar sterft in 1958 in Venray, Koob Prins *1901 Hoogeveen, +1958 Brunssum en Johannes Pastoor *1887 Hoogeveen en +1967 Brunssum. Dit zijn slechts een paar voorbeelden uit een ontwikkeling die ik begin twintigste eeuw zie ontstaan in de stamboom Huberts.

Families die zich eeuwenlang in Hoogeveen en omgeving (Zuidwolde, Avereest) hebben opgehouden, die generaties lang met plaatsgenoten zijn getrouwd, komen opeens in beweging. Meestal trouwen ze nog in het noorden, met een meisje uit het eigen dorp, om daarna te verhuizen naar Zuid-Limburg. En dat is logisch, als je erover nadenkt.


Want als Adolf Menzo, in 1873 te Avereest geboren, zevenenveertig jaar later overlijdt in Hoensbroek staat in zijn overlijdensakte dat hij mijnwerker is. Staatsmijn Wilhelmina opent in 1906, Emma in 1911 en Hendrik in 1915. Er ontstaan twee tegengestelde economische krachten. Enerzijds een enorme vraag naar arbeid in Zuid-Limburg en anderzijds een uitval aan werk in de noordelijke veenkoloniën: de steenkool vervangt immers de turf waarvan men daar leeft.

Ik vind het grappig dat ik zo’n economische ontwikkeling kan terugvinden in mijn stamboom, in dit geval de trek van turf naar steenkool. Met als ultiem gevolg dat leden van de twee families buren worden en er in Zuid-Limburg onvermijdelijk meer ontmoetingen hebben plaatsgevonden zoals die tussen mijn ouders.


zondag 22 oktober 2017

Een doodlopende tak

Francis Pijpers (1830 – 1867)


Als (amateur)genealoog raak je eraan gewend dat mensen vroegtijdig sterven. Ik kijk niet op van gezinnen waarvan de meerderheid van de – vele – kinderen jong overlijdt en ben zelfs blij als ik eindelijk een lastig op te sporen overlijdensdatum heb gevonden. Overlijden hoort bij genealogie, samen met geboorte en huwelijk schraagt de dood de database.

Soms sta ik wat langer stil bij een sterven. Zoals bij Cornelius Wijnen die uit een boom valt of Pierre Looven die tot drie keer toe een zoontje Jacobus Hubertus noemt om het telkens snel te verliezen (de vierde keer draait hij de namen om en blijft het kind leven). Ook ben ik van plan nog eens naar Groningen af te reizen om meer te weten te komen over Roelof Wierth, 32 jaar oud, wiens lijk daar op een zonnige julimiddag in het Sterrenboschpark is gevonden, aan het einde van de negentiende eeuw.

Meestal weet ik echter niets over de omstandigheden waarin men de dood vindt, heb ik alleen de standaardtekst van de akte met datum, locatie en aangevers. Dan is het raden, zoals ik ook doe naar het lot dat het gezin van Francis Pijpers in 1867 treft.
Tien jaar eerder is er geen vuiltje aan de lucht als hij in Swalmen in het huwelijk treedt met Joanna Vermeulen. Ze zijn allebei ongeletterd, haar vader is dagloner, zijn ouders akkerbouwers en hij werkt, als oudste zoon, waarschijnlijk op het bedrijf van zijn vader. Het duurt drie jaar voordat hun eerste kind wordt geboren, een dochtertje dat ze Anna Maria noemen. Er volgen nog twee kinderen, weer met tussenpozen van drie jaar: Jacobus en en Joanna.   

De voorbode van het onheil dat dit gezin te wachten staat, is het overlijden van Joanna, twee maanden oud, zondagavond 6 januari 1867, om tien uur. Francis geeft op maandag zelf het overlijden aan, samen met zijn vader Jacobus. Hij heeft inmiddels wat leren schrijven, de geboorteakte van Joanna is de eerste akte die hij zelf ondertekent, en ook deze akte ondertekent hij:


De rest van het jaar blijft het verraderlijk stil in aktenland, totdat Francis op woensdag 27 november weer met zijn vader voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand staat, deze keer om het overlijden van zijn zoon Jacobus aan te geven, om acht uur de avond tevoren. Vreemd genoeg verklaart hij nu niet te kunnen schrijven. 

Dan volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Zes dagen later, op 3 december overlijdt Anna Maria, het laatste kind. De aangifte wordt gedaan door Christiaan Wuts en Jan Hendrik Pijpers, buren van het gezin. Is Francis dan al ziek? Hij overlijdt namelijk 11 december en hekkensluiter is echtgenote Joanna, een dag later. Beide aangiften worden gedaan door vader Jacobus, vergezeld van buurman Christiaan Wuts.

Een compleet gezin sterft in hetzelfde jaar, waarvan vier leden binnen twee weken. Dat laatste feit duidt op een infectieziekte, als vind ik voor een grotere uitbraak in het register van Swalmen geen aanwijzing, zoals ik die eerder in Lent wel vond. Wat resteert is een doodlopende tak in mijn database. En een raadsel.

vrijdag 14 juli 2017

De man die uit een boom viel

Cornelius Wijnen (1735 – 1768), oudgrootvader



De familie Wijnen bestaat hoofdzakelijk uit boeren, die vanaf de zeventiende eeuw wonen in Swalmen, Belfeld en omgeving. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn de verschillende gezinnen redelijk welvarend en kopen regelmatig grond.


Cornelius Wijnen wordt op 25 maart 1735 te Swalmen gedoopt als oudste zoon van Petrus Wijnen en Maria van Baexen. Getuigen zijn Theodorus van Baexen, een jongere broer van Maria, en Anna Bulders, de moeder van Petrus.

Petrus en Maria krijgen nog drie zonen, waarvan de twee laatsten jong overlijden. Cornelius groeit op in Asselt, samen met zijn drie jaar jongere broer Petrus. Ik noem de familie redelijk welvarend en we kunnen daar aan de hand van de schatting van 1754 een indruk van krijgen. Deze schattingen werden gemaakt voor het heffen van belastingen.

Belastingen
Een van de belastingen die werd geheven was de hoofdschat, een andere was de beestenschat. De hoofdschat werd geheven over gezinnen, knechten en dienstmaagden. Het bezit van bepaalde soorten vee werd belast met de beestenschat: koeien, stieren, schapen, ganzen en bijenvolken. Over varkens en paarden werd geen belasting geheven. In 1754 zijn deze lijsten in elkaar geschoven.

Over het gezin Wijnen staat dan geschreven:

Peter Wijnen met vrouwe
eenen knecht, een maeght
dry koeyen, een rint
22 schaep, 8 bijen

Daarvoor betaalt hij 8 pattacons (rijksdaalders) en 6 schellingen belasting. Van de 188 belastingplichtigen in Swalmen betalen slechts 12 een hogere belasting (waaronder nog een ander gezin Wijnen). Het gezin van Cornelius behoort dus bij de 10% welvarendste.

Cornelius jr. 

 Op 13 mei 1759 wordt Cornelius jr. gedoopt, mijn oudvader en buitenechtelijke zoon van Cornelius en Elisabetha Janssen. We weten dat Cornelius de vader is vanwege de tekst 'ut mater declaravit in partu' in het doopregister, wat zoveel betekent als ‘beweerde de moeder tijdens de bevalling’. Rijkelijk laat…

In het doopregister is in kleine lettertjes toegevoegd dat dit kind op 4 augustus 1765 – zes jaar later – alsnog gewettigd is bij het huwelijk tussen Cornelius en Elisabetha. De twee krijgen nog twee kinderen, Petrus en Maria Agnes. Voor meer is helaas geen tijd.

De val


Cornelius wordt namelijk al drie jaar later begraven, op 29 november 1768. In het begrafenisregister staat 'qui in silva Baexhoef ex arbore dilapsus obiit', wat vertaald kan worden als: ‘Hij viel uit een boom in het Baexhoef bos.’

De Baxhof is een hoeve nabij Swalmen en staat nog steeds overeind, vermomd als recreatiecomplex in een bosrijke omgeving.

Resteert de vraag wat een 33-jarige vader van drie kinderen in een boom doet. Een mogelijke verklaring is dat Cornelius als boer waarschijnlijk varkens heeft gehad en die bijvoerde met eikels. Daar is zelfs een naam voor: mast. Bij het rapen van de eikels werd de natuur een handje geholpen door aan de takken te schudden. Om bij de hogere takken te komen moest je de boom in. Een ongeluk zit dan in een klein hoekje.

Het enige bezwaar tegen deze theorie is de datum van de begrafenis. Die ligt een maand na het eikelseizoen. Een lang ziekbed verklaart echter ook dat.