Posts tonen met het label Utrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Utrecht. Alle posts tonen

woensdag 4 januari 2023

Arend

 Arend Huberts (1927 – 1986), vader 

In het Hubertsgedeelte van mijn stamboom hebben 40 voorouders de voornaam Arend. Daarnaast heten er nog 5 Arent en komen de vrouwelijke versies Arendina, Arendje en Arentien 10 keer voor. In totaal komt de naam (en de variaties erop) er dus 55 keer in voor. In mijn Hubertsstamboom staan 3.587 voorouders, waarvan er dus 1,5% Arend heten. Mijn vader is er daar één van. 

Arend Menzo

Mijn vader is vernoemd naar Arend Menzo, de vader van zijn moeder. Dit is keurig volgens de vernoemingsregels, want mijn vader was de tweede zoon. Toch komt de voornaam Arend slechts drie keer voor in de Menzotak. Naast de al genoemde grootvader van mijn vader worden er in oktober 1904 nog twee Menzo’s Arend genoemd, eentje die op 13 oktober 1904 in Avereest ter wereld komt en eentje die op 18 oktober 1904 in Utrecht wordt geboren. Arend is dus geen typische Menzovoornaam. Waar komt deze naam dan vandaan?

Laten we eens verder kijken. Wanneer komt de naam Arend het eerst voor in mijn stamboom? Daar heb ik twee kandidaten voor, waarvan er een in ca. 1560 is geboren en eentje in ca. 1580.

De eerste heet Arend Huigen. Ik weet vrijwel niets van hem, alleen dat hij in 1589 trouwt en minimaal twee kinderen krijgt, Rutger Arents en Derck Arents. Een nazaat van hem, Hendrika ten Napel, trouwt negen generaties later in 1895 met Arend Menzo, de man waarnaar mijn vader is vernoemd. Is Arend dan toch een typische Menzovoornaam? Nou nee, want als ik de tussenliggende negen generaties doorloop, kom ik niet één keer de voornaam Arend tegen, alleen de bovenstaande twee patroniemen.  

Ondertrouw Arent Allertsz en Meijns Jacobs

De tweede heet Arent Allertsz, waarvan ik de geboorteplaats niet ken. Ik weet wel dat hij in 1605 in Amsterdam met Meijns Jacobs trouwt en dat hij dan 25 jaar oud is. Zijn beroep is chirurgijn. In andere documenten wordt hij ook wel barbier genoemd. Opmerkelijk is dat een van zijn kleinkinderen, Sara Hardebol, in 1675 met Johannes Menso trouwt. Er is dus een directere link met de Menzotak dan bij Arend Huigen het geval was, al kom ik ook hier in de tussenliggende generaties de voornaam Arend niet tegen. 

Waar heb ik dan wel een link met eerdere generaties? Ik begin bij Arend Pouwels Strijker Ten Hoorn, die rond 1640 te Amsterdam ter wereld komt. Hij trouwt met een dame waarvan ik de naam niet ken en waarmee hij tenminste één zoon krijgt: Jan Arends Strijker Ten Hoorn. Jan Arends trouwt in 1695 te Hoogeveen met Fijgje Peters Kramer waarmee hij 5 kinderen krijgt, waarvan ze de jongste Arentien noemen. Arentien trouwt, waarschijnlijk ook in Hoogeveen, met Geugien Hendriks Lunenborg. Ze krijgen 8 kinderen, waarvan er eentje Jan Arends heet. Een ander kind, Fijgchjen, trouwt met Gerrit Roelofs Knol, waarmee ze 7 kinderen krijgt, waarvan er eentje Arendje heet. Die Arendje trouwt met Harm Derks Gort, waarmee ze vier kinderen krijgt: Gerrit, Roelofje, Dirk en  Fijchien. De eerste generatie zonder enig spoor van een Arend. Maar het oudste kind, Gerrit, trouwt in 1818 te Hoogeveen met Aaltje Harms Boer en krijgt 7 kinderen met haar, waarvan ze er eentje Arendje noemen. Arend is terug. Arendje trouwt in 1852 te Hoogeveen met Jan Huberts waarmee ze drie kinderen krijgt: Hendrik, Gerrit en Aaltje. Arend is dus weer verdwenen, maar ook nu maakt de volgende generatie het goed. Hendrik trouwt in 1877 te Hoogeveen met Geesje Koster, met wie hij 6 kinderen krijgt. De oudste noemen ze Arendje. Een ander kind, Albert (waarnaar ik ben vernoemd) trouwt in 1921 te Enschede met Trinet Menzo waarmee de link met de Menzo’s weer is gelegd. Zes jaar later krijgt dit echtpaar hun tweede kind, mijn vader. Een vrijwel ononderbroken lijn van (varianten op) de voornaam Arend die 287 jaar lang is. Mijn vader is dus eigenlijk vernoemd naar de man met de ingewikkelde naam Arend Pouwels Strijker Ten Hoorn.

Drie eeuwen lang was de naam Arend populair. In 1927, het geboortejaar van mijn vader, kregen 220 kinderen deze naam. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, in 1946, werden zelfs 358 kinderen Arend genoemd en een jaar later 373. Daarna daalt de populariteit gestaag totdat in 2016 nog maar 16 kinderen de naam Arend krijgen. Mijn vader werd (daarom?) nooit Arend genoemd, maar Aart of Huub.   


vrijdag 14 mei 2021

Een bedelaar van stand – Deel 2

 Johannes Menzo (1808 – 1882), betovergrootvader

Ontslag
Ruim een jaar na zijn aankomst wordt Johannes ontslagen uit Veenhuizen, op 7 februari 1844. Het is opvallend dat hij zelf deze datum heeft gekozen. We lezen dat in een brief van 16 januari 1844 van de heer J. van Kimmenburg, Directeur der koloniën, aan de Permanente Commissie:

‘Ik heb de eer U te berichten, dat de volgende bedenkingen bestaan tegen de uitvoering van het ontslag der bedelaars kolonisten, bij den 5 dezer maand Feb opgegeven, als:
De volgende hebben verzocht nog tot nevens staande tijdstippen te mogen blijven:’

Dan volgen er vier namen van kolonisten, waarvan de eerste drie tot 7 of 10 maart uitstel krijgen van hun ontslag, met als laatste Johannes Menzo, die een bescheidener uitstel vraagt: tot 8 februari 1944.


Ook in het inschrijfregister staat in potlood genoteerd ‘(8 feb 44)’ bij de beschikking ‘dadelijk te ontslaan’. 

Waarom Johannes twee dagen uitstel vraagt is onbekend. Wel is duidelijk dat de leiding van de koloniën bereid is uitstel van ontslag te verlenen, tot ruim een maand na de oorspronkelijke ontslagdatum.  

Op herhaling
Als Johannes op 7 februari 1844 wordt ontslagen uit de bedelaarskolonie gaat hij terug naar Utrecht. We weten dat, omdat dit de plaats is waar hij vandaan komt als hij zes maanden later weer aanklopt bij de Ommerschans.

Inschrijfregister Ommerschans, linkerblad

Hij staat hier op de tweede regel. De ‘2’ achter zijn naam geeft aan dat hij hier voor de tweede keer is.

Inschrijfregister Ommerschans, rechterblad

Ook op het rechtblad volgen we weer de tweede regel – de persoonsbeschrijving is overschreven – en lezen daar: ‘idem N 4735 Vrijwillig’. 4735 is het nummer dat hij bij zijn eerste aankomst kreeg, en blijkbaar is hij hier uit vrije wil. De volgende kolom is de plaats waar hij bij het bevolkingsregister staat ingeschreven en tenslotte lezen we dat hij 13 mei 1848 is ontslagen. 

Johannes meldt zich dus vrijwillig en blijft bijna vier jaar in Veenhuizen. Dat zegt iets over hem én over de bedelaarskolonie.

Kolonie Veenhuizen 

Bedelaarskolonie Veenhuizen III

De Maatschappij van Weldadigheid sticht in 1818 de drie vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord, waar arme families zich op kunnen werken door middel van boerenarbeid. Ommerschans is in eerste instantie bedoeld voor de in bewaring stelling van lastige bewoners van deze vrije koloniën. In 1823 sluit de Maatschappij contracten met de overheid voor de opvang van weeskinderen, landlopers en bedelaars. Voor die mensen is ruimte nodig en daarom bouwt men drie grote gestichten (strafkolonies): Veenhuizen I, II en III. Bedelaars worden gewoonlijk gehuisvest in Veenhuizen III. Aan de buitenzijde van deze kolonie liggen huizen waar veteranen wonen en arbeidersgezinnen die uit vrije wil zijn gekomen. 

Bedelaars
Begin 19e eeuw heerst in Nederland armoede en ondervinden stad en platteland hinder van grote aantallen landlopers en bedelaars. Met Veenhuizen doet zich een mogelijkheid voor om van deze mensen af te komen. Daarbij moeten we bedenken dat men in die tijd al snel het predikaat ‘bedelaar’ krijgt. Het ontbreken van vast werk en dito verblijfplaats is al voldoende. 

De omstandigheden in Veenhuizen zijn zwaar en de medische verzorging belabberd. Bewoners verdienen hun vrijheid terug met hard fabriekswerk of werk op het land. Hoe een zelfstandig bestaan op te bouwen buiten de kolonie leren ze echter niet. Daardoor belanden de meesten na ontslag weer op straat en kiezen er vaak voor om terug te keren. Zeker tijdens strenge winters prefereren zij een veilig onderdak en een gegarandeerd – karig – maal boven het onzekere bestaan op straat. 

Johannes heeft dezelfde afweging gemaakt en is teruggekomen. Is hij ondertussen bij zijn familie langsgeweest? Heeft hij hulp gezocht? Hij moet een reden hebben gehad voor de lange reis van Veenhuizen naar Utrecht. Of is hij simpelweg naar de enige plaats gereisd die hij kent? In ieder geval heeft hij niet gevonden wat hij zocht. 

Overlijden vader
Terwijl Johannes verblijft in Veenhuizen sterft op 9 februari 1845 zijn vader. Als oudste zoon is hij de belangrijkste erfgenaam en zijn vader is niet onbemiddeld. Zo is die sinds 1829 eigenaar van het huis dat hij bewoont, Loeff Berchmakerstraat 179. Toch blijft Johannes tot mei 1948 in de bedelaarskolonie. Weet hij niet dat zijn vader is overleden? Krijgt hij geen bericht? Of erft hij niets? Ik vermoed het laatste, want dat past in het beeld dat hij geen hulp krijgt van zijn familie. Een andere aanwijzing is het huwelijk van zijn enige, jongere broer Hendrik, zes maanden na het overlijden van vader, zo snel mogelijk na de periode van zware rouw. Heeft Hendrik het leeuwendeel van de erfenis gekregen? We weten het niet. Zeker is dat Johannes niet geprofiteerd heeft van de dood van zijn vader.

Drie keer is scheepsrecht 

Inschrijfregister Ommerschans, linkerblad

Ook na zijn ontslag in 1848 slaagt Johannes er niet in om buiten de kolonie het hoofd boven water te houden, want anderhalve maand later staat hij alweer voor de poort. We zien hem hier op de een na laatste regel, met het drietje achter zijn naam. Helemaal rechts zien we dat hij deze keer niet terug naar Utrecht is gereisd, maar gekozen heeft voor het nabije Zwolle. 


Inschrijfregister Ommerschans, rechterblad

Op de rechterbladzijde – weer de een na laatste regel – lezen we achtereenvolgens: Bevorens N 3634  Gevonnisd, Utrecht en 13 december 1852 ontslagen. 3634 is zijn nummer van de vorige opname en gevonnisd betekent dat zijn opname deze keer niet vrijwillig is. Hij is in Zwolle opgepakt en veroordeeld voor bedelarij en/of landloperij. De ontslagdatum leert ons tenslotte dat hij weer vier jaar in Veenhuizen zal verblijven.    

Nadere bijzonderheden over het leven van Johannes in Veenhuizen heb ik niet. Daarvoor moet ik mutatieregisters in het Drents Archief doorpluizen en daarvoor ben ik nog niet in de gelegenheid geweest. Wel weet ik dat hij uiterlijk 1851 Joanna Catharina Wirtz leert kennen, zijn toekomstige vrouw. 


zondag 6 mei 2018

Een bedelaar van stand - Deel 1

Johannes Menzo (1808 – 1882), betovergrootvader


Op het grasland achter het huis graasden een paard en enkele koeien, waaronder die van het zogenoemde "lakenvelder" ras. Op de deel was stalruimte voor een aantal beesten. Op het land stond ook nog een arbeiderswoning, die Jager had verhuurd aan Johannes Menzo. Deze was een uit Utrecht afkomstige barbier, terwijl diens vrouw Trijntje Wierth helemaal uit Antwerpen kwam. 


Een korte passage uit een artikel van Wim Visscher over Geert Jager (1), de naamgever van een wijk in Dedemsvaart. Je leest eroverheen als je niet weet wie Johannes Menzo (2) en Trijntje Wierth zijn. Misschien vraag je je een moment af hoe een barbier uit Utrecht en een vrouw uit Antwerpen in een Dedemsvaarts arbeidershuisje verzeild raken.

De Ommerschans

De Ommerschans
Dedemsvaart ligt op schootsafstand van de Ommerschans en bij een genealoog gaat nu een lampje branden. In 1819 stichtte de Maatschappij van Weldadigheid daar namelijk een bedelaarskolonie, waar Johannes Menzo op maandag 7 december 1842 wordt ingeschreven:

Inschrijving Johannes Menzo in Ommerschans

Er staat dat hij gereformeerd is en aangekomen uit Utrecht. Zijn geboortedatum is 17 mei 1808, dus is hij 34 jaar oud. Als we verder bladeren, zien we dat hij onderdeel uitmaakt van een groepje van 11 bedelaars uit Utrecht dat op deze dag aanklopt. Daaronder bevindt zich Justinus Mackaay, 39 jaar oud, voor wie dit de derde keer is, en Berendina Oostveen met haar twee jaar oude zoon, die hier ook al eerder was. Misschien is Dorothea van Voorst nog wel het meest te beklagen, met haar dochtertje van vijf maanden. Van een Trijntje Wierth is nog geen sprake, Johannes is vrijgezel. 

Op het rechterblad van de inschrijving vinden we een beschrijving van zijn uiterlijk:



Hij is 1.78 lang, wat groot is voor die tijd. Zijn vader meet bijvoorbeeld slechts 1.62 meter. Verder heeft hij een ovaal aangezicht, bruin haar en blauwe ogen, een dikke neus, kleine mond, ronde kin en geen ‘merkbare teekenen’. Althans, volgens degene die dit alles noteerde...


Tenslotte lezen we dat hij twee weken later, op 22 december 1842, is overgeplaatst naar de bedelaarskolonie Veenhuizen en op 7 februari 1844 aldaar is ontslagen. Bedelaars komen altijd aan in de Ommerschans en worden na onderzoek en wasbeurten overgebracht naar Veenhuizen, voorzien van een nieuwe set kleren.

Aanzienlijk geslacht
Blijven we met de vraag zitten hoe een telg uit een geslacht van geestelijken en andere aanzienlijken, dat helemaal terug te volgen is tot Jan Mensinck (ca 1565-1630), koster van de Groote Kerk te Zwolle, in een bedelaarskolonie verzeild raakt.

Zijn overgrootvader is een kind van drie generaties predikanten en Raad en Schepen van Rhenen. Grootvader is predikant en (vreemd genoeg) legerkapitein en de vader van Johannes – daar zet het verval in – baardscheerder, winkelier en op latere leeftijd majoor bij de Utrechtse nachtwacht. En al klinkt dat laatste imposanter dan het is, toch wijst niets op een aankomend bedelaarsbestaan van diens oudste zoon.
Dus wat is er gebeurd met Johannes?

Doop

Doopregister

Johannes wordt op 22 mei 1808 gedoopt in de Utrechtse Jacobikerk als oudste zoon van Johannes Menzo en Susanna Maria de Ruijter. We zagen dat geboortedatum in het inschrijfregister van Ommerschans 17 mei is, vijf dagen eerder. Meestal worden kinderen sneller gedoopt, dus wellicht is die datum onjuist.

Er was een oudere zus, die dan echter al is overleden. Er volgen nog zeven kinderen, waarvan drie uit een tweede huwelijk van Johannes sr.

Volkstelling 1825
FamilySearch noemt dit een volkstelling uit 1820, maar op basis van de genoteerde leeftijden moet deze zomer 1825 hebben plaatsgevonden.

Volkstelling 1825

Het gezin woont in de Potterstraat, waar het een huis deelt met twee kleinere gezinnen: dat van een zadelmaker en een kleermaker. Johannes senior is ‘winkelier en baardscheerder’. De buren zijn net als de medebewoners ambachtslieden. Het lijkt een nette straat te zijn.

Johannes’ moeder is twee jaar eerder overleden en zijn vader in 1824 hertrouwd met Christina van Leeuwen, die we hier vermeld zien. De 17-jarige Johannes is ‘baard scheerder’ en waarschijnlijk in de leer geweest bij zijn vader. De andere gezinsleden zijn zusje Susanna Maria en de twee broertjes Hendrik en Willem. We missen zus Willemiene Geertruijda die dan 15 of 16 jaar oud is en vermoedelijk al een dienstje buiten de deur heeft. 

Volkstelling 1830
Het gezin is verhuisd naar de Loefballemakerstraat (tegenwoordig Loeff Berchmakerstraat) 173 en zal hier blijven wonen tot het overlijden van Johannes senior in 1845.

Akte verkoop Loeff Berchmakerstraat 173

Johannes Sr. heeft dit huis op 1 juni 1829 gekocht van Huijbert Jansen, winkelier, en diens vrouw. Hij is dus niet onbemiddeld. De buurt lijkt vergelijkbaar met de Potterstraat, met buren als een kleermaker, schoenmaker, behanger, koopman en kopergieter. 

Volkstelling 1830

Ook hier delen ze het huis, en wel met het gemêleerde gezelschap van een bejaard echtpaar, een Duitse ‘Gewezen militair thans wever’ en een timmermansknecht met zijn vrouw. Waarschijnlijk zijn het onderhuurders van huiseigenaar Johannes senior.

Deze is inmiddels ‘Majoor der Nagtwakers’ wat wellicht de reden voor de verhuizing is, al wordt hij in de koopakte van het nieuwe huis ‘winkelier’ genoemd. Johannes jr. is nog steeds baardscheerder, en werkt vermoedelijk buiten de deur bij/voor een barbier, nu zijn vader ander emplooi heeft gevonden. De broertjes Hendrik en Willem zijn schrijnwerkers en er is een nieuw gezinslid: Wilhelmina Christina, het eerste kind dat Johannes senior bij zijn tweede vrouw heeft verwekt. De zussen Willemiena Geertruijda en Susanna Maria wonen als dienstmeid bij hun werkgever. De eerste bij een weduwe en haar gezin, de tweede bij een hoogleraar en diens vrouw en kinderen. 


Volkstelling 1840
Volkstelling 1840

Twee jaar voordat Johannes naar de Ommerschans wordt getransporteerd heeft het timmermansechtpaar een dochter gekregen, is het bejaarde stel overleden (hij in 1831, zij in 1835), de Duitse ex-militair met de noorderzon vertrokken en woont Johannes junior nog steeds thuis, 31 jaar oud.

Wat hiervan te denken? Het is niet ongewoon dat hij nog vrijgezel is. Van zijn broers en zussen trouwt alleen Willemiene Geertruijda voor haar 30ste. Dat hij nog bij zijn (stief)ouders woont is wel bijzonder. De meisjes waren op hun 16e al het huis uit en jongere broer Hendrik, nu 27, is ook al vertrokken, ongetrouwd en wel. Broertje Willem is in 1837 overleden.

Johannes woont dus bij zijn vader, stiefmoeder en twee halfzusjes. In naam is hij ‘barbier’, wat in die tijd een ruim begrip is, en blijkbaar verdient hij daar niet genoeg mee om zelfstandig te kunnen leven. Of vindt hij het wel best zo? Is het gewaagd te veronderstellen dat hij op enig moment in de komende twee jaar het huis is uitgeschopt?     

In ieder geval is er iets gebeurd waardoor Johannes zijn comfortabele vangnet heeft (moeten) verlaten, zich niet heeft kunnen redden, en op straat is beland. Noch zijn ouders, noch zijn zussen of zijn broer zijn bereid geweest hem te helpen, danwel heeft hij hun hulp geweigerd. Hoe dan ook, slechts twee jaar na deze volkstelling is Johannes een bedelaar en wordt hij door de stad Utrecht op transport gezet naar de Ommerschans.

(1) Uit kwartaalblad van de Historische vereniging Avereest, jaargang 17, 2000, nr. 3, W. Visscher, Geert Jager (1811-1867).
(2) Johannes Menzo is een voorouder van Hubertszijde. Zijn kleindochter Trinet Menzo is de moeder van mijn vader.