dinsdag 6 maart 2018

Een schippersche - Deel 2

Jacoba Haaitsma (1861-1934)


Het eerste huwelijk

In mijn stamboom hebben schippersfamilies een uitgesproken neiging onderling te trouwen. Zo trouwen alle vijf de dochters van Jacoba met schippers. Zelf is ze een arbeidersdochter, zonder enige band met de binnenvaart. Hendrik Andijk, de schipper met wie ze op 1 augustus 1883 te Assen trouwt, komt ook niet uit een schippersgeslacht. Zijn vader is weliswaar schipper, doch de grootvaders waren respectievelijk arbeider en koeboer.

Handtekeningen huwelijksakte

Zwanger

Net als bij haar tweede huwelijk is Jacoba zwanger, deze keer al vijf maanden. Dit brengt ons op de vraag hoe Hendrik en Jacoba elkaar hebben leren kennen. In de akte staat dat Hendrik in Deventer woont en Jacoba in Assen. Die plaatsen liggen zo’n 100 kilometer uit elkaar, nogal een afstand in die tijd. Daarbij moeten we echter bedenken dat de woonplaats van Hendrik een administratieve is: in de praktijk leeft hij op zijn schip en zal hij op Assen hebben gevaren, waar hij Jacoba heeft ontmoet. Jacoba woont vermoedelijk nog bij haar ouders, die inmiddels van Smilde naar Assen zijn verhuisd.

Twee dochters
Dochter Hendrina wordt vier maanden later geboren in Bovensmilde, waar Hendrik en Jacoba een huis bewonen. Ze is tevens het enige van Jacoba’s elf kinderen dat aan land ter wereld komt. Zo wordt Mijndina, haar tweede dochter, volgens de akte op 28 juli 1885 geboren ‘aan boord van zijn vaartuig, liggende in het rogat in deze gemeente’. Rogat is een dorp tussen Meppel en De Wijk, gelegen aan de Hoogeveense Vaart.

Binnenvaartschip, liggende aan de Beestenmarkt te Zwolle, ca 1900

Nog twee dochters

Anderhalf jaar later krijgt Jacoba een derde dochter, Anna, aan boord van het schip dat aan de Beestenmarkt (nu: Harm Smeengekade) in Zwolle ligt. Dit zal een vertrouwde aanlegplaats blijken te zijn. Anna overlijdt nog geen twee jaar later, wederom aan boord, in de Hoofdvaart bij Kloosterveen.

Dit overlijden is zo’n gebeurtenis waarbij ik me afvraag hoe het leven aan boord voor Jacoba is. Ze zit met een doodziek kind, het bedrijf moet door, het schip stilleggen en een dokter zoeken is geen vanzelfsprekendheid, er zijn geen behulpzame buren waar ze een beroep op kan doen. Ze moet zich vaak alleen hebben gevoeld, lijkt me, als enige vrouw aan boord, met verder alleen haar man, misschien een paar knechten en drie kleine kinderen.

Een jaar later, op 2 mei 1889, wordt aan boord in de Achtergracht te Zwolle haar vierde dochter geboren, die weer Anna heet.

Een bewogen jaar
Het jaar 1890 is een bewogen jaar voor Jacoba. Op twee januari trouwt broer Jan in Brakel en op 1 mei zus Pietertje te Zwolle. Er zijn geen aanwijzingen dat Jacoba bij deze huwelijken aanwezig is. Vervolgens overlijdt haar vader op 8 juni. Twee maanden later in Zwolle, op 31 augustus, mishandelt Hendrik Jacoba zo ernstig, dat de politie tussenbeide moet komen:


‘(...) toen hij dronken aan boord komende van het door hem bevaren wordende vaartuig, haar zulke geweldige slagen aan hoofd en borst toebracht dat zij bewusteloos neerzeeg, en door de politie van de verdere mishandelingen van haren echtgenoot werd bevrijd.’   

Dat dit geen incident is, valt eerder in het document te lezen:

‘(...) dat dit huwelijk van den beginne af steeds ongelukkig was, dat evenwel de toestand in den laatsten tijd niet meer houdbaar is, haar echtgenoot meestal dronken, haar in de laatste maanden meermalen met den dood heeft bedreigd en levensgevaarlijk heeft mishandeld (...)’  

Dit is een nogal ontnuchterende kijk achter de akten. Jacoba is blijkbaar – vanwege haar zwangerschap? – in een huwelijk beland waarin zij stelselmatig wordt mishandeld door een dronkenlap van een echtgenoot. Een huwelijk dat, op het moment van deze laatste gebeurtenis, al zeven jaar duurt.

Echtscheiding
Wat te doen, als ongelukkig getrouwde vrouw aan het eind van de negentiende eeuw? Echtscheiding is vanaf 1838 mogelijk op vier gronden:

  1. Overspel
  2. Verkwisting
  3. Veroordeling tot gevangenisstraf wegens misdrijf
  4. Mishandeling

Er wordt echter weinig gebruik van gemaakt. In de jaren 1889-1891 zijn in Nederland 1.157 echtscheidingen ingeschreven bij bevolkingsregisters*, ofwel zo’n 385 per jaar (2016: 33.414). Als je daarbij bedenkt dat ruim de helft ervan is ingeschreven in een van de drie grote steden (’s-Gravenhage, Rotterdam, Amsterdam), kun je je misschien voorstellen hoe onbereikbaar een echtscheiding voor een schippersche uit Smilde moet hebben geleken.

Temeer daar Jacoba alleen mishandeling heeft als mogelijke grond. Hoe bewijs je dat je mishandeld wordt als je op een schip woont waar geen andere getuigen zijn dan mogelijk een paar knechten die afhankelijk zijn van de dader? Ik vermoed dat de tussenkomst van de politie voor Jacoba een zegen is geweest, en een kantelpunt betekent.

Er is namelijk proces-verbaal opgemaakt van de mishandeling, waaruit wordt geciteerd in bovenstaand document. Het betreft een verzoek tot aanvaarding van een certificaat van onvermogen omdat Jacoba geen geld heeft om zelf de proceskosten van een echtscheiding te betalen. Het certificaat is afgegeven in Smilde en gedateerd op 16 september 1890, twee weken na de mishandeling in Zwolle. Ze laat er duidelijk geen gras over groeien.

Certificaat van onvermogen

Uitspraak
Het verzoek om het certificaat te accepteren wordt op 20 september gehonoreerd en het proces (helaas zijn de stukken onvindbaar) bij de Arrondissementrechtbank van Assen leidt op 31 mei 1891 tot een uitspraak in Jacoba’s voordeel: echtscheiding.

Zij laat dit zelf op 19 juni 1891 registreren bij het bevolkingsregister van Smilde. In heel Drenthe vinden dat jaar nog geen 10 registraties van echtscheidingen plaats (25 in totaal over de jaren 1889-1891*).

Bij deze registratie valt op dat Hendrik voor het eerst niet ‘schipper’ maar ‘schippersknecht’ wordt genoemd. Is hij met Jacoba ook zijn schip kwijtgeraakt? Jacoba’s omschrijving is uiteraard ‘zonder beroep’.


Hendrik Andijk

Hendrik neemt overigens niet de moeite te verschijnen in de rechtbank en alles wijst erop dat hij uit het leven van Jacoba verdwijnt. In bovenstaand vonnis staat dat hij verblijf houdt in Arnhem en bij de huwelijken van Hendrina en Mijndina in 1906 en dat van Anna in 1910 staat in de akten dat zijn woon- of verblijfplaats onbekend is bij zowel de bruid als haar moeder.

Detail overlijdensakte Hendrik Andijk

Hendrik hertrouwt niet en overlijdt op 21 maart 1920 te Eindhoven, 65 jaar oud. Opmerkelijk genoeg staat in de overlijdensakte dat hij echtgenoot is van ene ‘Jacoba Aisma’. Heeft hij de echtscheiding nooit kunnen verkroppen?

Eind goed al goed?
Eind goed, al goed voor Jacoba? Natuurlijk niet. Ze blijft achter zonder man, zonder schip, zonder inkomen en met drie kleine kinderen. We zagen in Deel 1 van dit verhaal al dat deze situatie ruim een jaar duurt, tot ze trouwt met Albert Koster. En daar pakken we in Deel 3 de draad weer op.

* Bron: Frans van Poppel, Trouwen in Nederland, Een historisch-demografische studie van de 19e en vroeg-20e eeuw. 

donderdag 1 maart 2018

Een schippersche - Deel 1

Jacoba Haaitsma (1861-1934)


Huwelijksakte
Gemeentehuis Hoogeveen (bron: Hoogeveen2000.com)

Als Jacoba op zaterdag 6 augustus 1892 het gemeentehuis van Hoogeveen binnenstapt is ze drie maanden zwanger. De man met wie ze die dag gaat trouwen – en de vermoedelijke veroorzaker – is Albert Koster, een 37-jarige schippersknecht uit dezelfde plaats. Hij is tevens de reden dat Jacoba onderdeel uitmaakt van mijn stamboom, want hij is een broer van overgrootmoeder Geesje. Het is zijn eerste huwelijk en haar tweede. Ik begin dit verhaal over Jacoba hier omdat zij in de huwelijksakte ‘schippersche’ wordt genoemd.

Detail huwelijksakte

In de 19e eeuw is ‘zonder beroep’ de standaardomschrijving voor de bezigheden van een getrouwde vrouw. Waar een ongehuwd meisje nog wel eens dienstbode of naaister is, heeft een echtgenote alleen bij hoge uitzondering een beroep, en krijgen we vaak pas een kijkje achter de schermen als de echtgenoot overlijdt en de weduwe opeens landbouwerse, tapperse of fabrieksarbeidster blijkt te zijn. En hoewel de vaak grote gezinnen weinig ruimte laten voor een baan bekruipt me iedere keer als ik ‘zonder beroep’ lees het gevoel dat er meer achter zit.

Zo ook bij Jacoba, die tot aan dit tweede huwelijk in acht verschillende akten de omschrijving ‘zonder beroep’ meekrijgt en nu opeens schippersche wordt genoemd. Dat is om meerdere redenen vreemd; zo geeft debinnenvaart.nl als definitie: de echtgenote van een schipper, maar vaak ook zij die dezelfde positie aan boord bekleedt.

Jacoba is echter niet meer getrouwd, dus op welk schip is zij dan schippersche? Albert is een schippersknecht, geen schipper, en het is alleen al daarom onwaarschijnlijk dat ze met hem meevaart, laat staan als ongetrouwde vrouw. Wordt ze alleen zo genoemd omdat haar eerste echtgenoot een schipper(sknecht) was? Maar dat schip is met hem verdwenen. Hoe kan ze een schippersche zonder schip zijn? 

Dit ene woord, en de vragen die het oproept, leidt ertoe dat ik me in Jacoba ben gaan verdiepen en hoewel ik nog vol vragen zit, weet ik nu genoeg over deze bijzondere vrouw om een paar berichten aan haar te wijden.

Laten we daarvoor beginnen bij het begin.

Geboorte  

Geboorteakte Jacoba Haaitsma

Jacoba wordt 9 augustus 1861 geboren in Smilde, als oudste dochter Jelke Jans Haaitsma, arbeider, en Meintje Jans Dik. Een vroedmeester geeft de geboorte aan, wat ongebruikelijk is. Is het een lastige bevalling? Blijft de vader daarom liever bij vrouw en kind dan de geboorte aan te geven?

Het gezin
Jacoba heeft een drie jaar oudere broer Jan, buitenechtelijk geboren en erkend bij het huwelijk van de ouders in 1860. Na Jacoba krijgt Meintje nog vier kinderen, waarvan twee levenloos ter wereld komen en eentje slechts een dag leeft; meer aanwijzingen dat haar zwangerschappen moeizaam verlopen. Alleen Pietertje, geboren in 1867, groeit op en trouwt in 1890 te Zwolle met Karel Kristoffer Ester, een ijzergieter.

Familiebericht Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 08-10-1934

Ze krijgt met hem drie kinderen, waarvan de opmerkelijkste Hermina is, die in 1922 als naaister in Berlijn (!) werkt, daar trouwt met de biscuitbakker Otto Wilhelm Christian Hasslinger, met wie ze na enige omzwervingen in 1938 in Freiburg, Zwitserland belandt. Ik vind daar nu een Stephan Hasslinger, kunstenaar, geboren in 1960. De naam Hasslinger komt er weinig voor. Een kleinzoon? Ik durf hem er niet over lastig te vallen.

Ook over broer Jan is meer te vertellen. Hij is namelijk een van de opmerkelijkste veroorzakers van social climbing in mijn stamboom. Als gepasporteerd marechaussee wordt hij gemeenteveldwachter en trouwt in 1890 te Brakel met Elke van Wijgerden. Een jaar later wordt hij benoemd tot Rijksveldwachter 3e klasse. In die functie voorkomt hij in 1898 (mede) dat een boerderij afbrandt, een daad die de landelijke pers haalt:

Nieuwsblad van het Noorden 06-08-1898

Zijn kinderen onderscheiden zich eveneens. Dochter Jansje trouwt met een fabrieks-chef, zoon Dirk huwt als legerofficier een burgemeesterdochter en zoon Johan is architect als hij in 1936 het overlijden van zijn vader aangeeft.

Kortom, zelfs zonder Jacoba is dit een bijzonder gezin. Een kwestie van genen? Het zou een hoop verklaren, zoals het einde van het eerste huwelijk van Jacoba, waaraan Deel 2 van dit verhaal aan gewijd zal zijn. 

zondag 4 februari 2018

Huwelijken in Hoogeveen en Swalmen, 1825 - 1874

Johanna Elisabeth Hendrika Wijnen (1921 – 1990)


De leden van de twee hoofdtakken van mijn stamboom leefden lange tijd binnen beperkte geografische gebieden. Die van mijn vaderskant in de regio Hoogeveen*, die van mijn moeder in Swalmen en directe omgeving**. Dat biedt mij de mogelijkheid de huwelijkspraktijk binnen deze twee gemeenschappen met elkaar te vergelijken.

1825-1874
De periode die ik daarvoor gebruik is het midden van de 19e eeuw, om precies te zijn de vijftig jaar van 1825 t/m 1874. Ik heb dit tijdvak gekozen omdat de gegevens betrouwbaar en compleet zijn en men nog honkvast is. Ik vergelijk alleen huwelijken waarbij bruidegom en bruid niet eerder getrouwd waren. Voor Hoogeveen levert dat 65 huwelijken op, voor Swalmen 75.

Beroepen
Er zijn grote verschillen tussen de twee gemeenschappen. De Hoogeveeners zijn protestants, de mensen uit Swalmen katholiek, om maar eens iets te noemen. In Hoogeveen leeft men van turf en de binnenvaart, Swalmen is sterk agrarisch. Toch zijn er ook overeenkomsten: beide stambomen zijn in deze periode gevuld met louter werkvolk en kleine zelfstandigen (mijn stamboomonderzoek is een oefening in nederigheid). In Hoogeveen zijn dit respectievelijk arbeiders en binnenvaartschippers, in Swalmen knechten en landbouwers. In onderstaande tabel de beroepen van de bruidegoms, zoals vermeld op de huwelijksakten.

We zien nog een onderscheid: in Swalmen is er het begin van een diversificatie die zich in de jaren erna versterkt voortzet, in Hoogeveen vinden we beroepen die we ook in de 17e eeuw hadden kunnen aantreffen.

Huwelijksleeftijd

Het eerste wat bij vergelijking van de huwelijken opvalt, is het verschil in huwelijksleeftijd.
In Swalmen trouwt men later, en is het verschil in leeftijd tussen bruidegom en bruid groter. Zo is in Hoogeveen bij 40% van de huwelijken de bruid ouder dan de bruidegom, waar dat in Swalmen bij slechts 23% het geval is.

Moetjes 
Zwangerschap kan een verklaring zijn voor een lagere huwelijksleeftijd: men moet dan wel trouwen. Een aanwijzing voor zo’n ‘moetje’ is een kind dat kort na het huwelijk wordt geboren. Ik hanteer daarvoor een maximumtermijn van 7 maanden, met als voorwaarde dat het kind minimaal een jaar blijft leven, om vroeggeboorten uit te sluiten. We krijgen dan het volgende beeld:


In Hoogeveen is bij ruim een kwart van de huwelijken de bruid met zekerheid zwanger, terwijl dat in Swalmen bij slechts een op de tien het geval is. Een opmerkelijk verschil. Is zwangerschap echter wel een reden voor een eerdere huwelijkssluiting? Daarvoor vergelijken we de leeftijden tussen de reguliere huwelijken en de ‘moetjes’.


In Hoogeveen heeft een zwangerschap nauwelijks invloed op de huwelijksleeftijd. Blijkbaar trouwt men op de leeftijd waarop men sexueel actief wordt.


In Swalmen zien we wel een fors verschil. Zonder de ‘moetjes’ zou de gemiddelde huwelijksleeftijd nóg hoger liggen. Het is opvallend dat de leeftijd van de moetjes in Hoogeveen en Swalmen vrijwel gelijk is. Wint nature het hier van nurture?

Conclusies
Conclusies zijn lastig te trekken zonder uitgebreid sociologisch onderzoek onder een grotere hoeveelheid huwelijken. Toch doe ik paar zeer onwetenschappelijke voor-de-vuist-weg pogingen:

  • In Hoogeveen trouwt men zodra men behoefe aan sex heeft (of kort erna...). In Swalmen houdt men zich 4 á 5 jaar in en trouwt dan pas. 
  • Ik denk dat de boerencultuur in Swalmen later trouwen in de hand werkt. Een boerenzoon verdient geen loon, een turfsteker wel. De laatste is dus eerder economisch zelfstandig.
  • Ik heb de indruk dat de kindersterfte in Hoogeveen hoger is dan in Swalmen, wat een reden kan zijn om eerder te trouwen. Daarop kom ik in een later bericht nog terug. 
  • Clichés zijn betrekkelijk: de preutse calvinisten verslaan de katholieke bon vivants op het gebied van moetjes.

Omdat cijfers niet alles zeggen
Johanna Elisabeth Hendrika – Joke – Wijnen was de oudste zus van mijn moeder. Ze werd op 8 juli 1921 geboren, haar ouders gaven elkaar op 29 december 1920 het jawoord. Een moetje dus. Joke kwam lichamelijk gehandicapt ter wereld en haar ouders hebben dat altijd gezien als de straf van God voor hun buitenechtelijke escapades.

Ik heb mijn tante Joke goed gekend, kettingrokend in haar rolstoel, asbakje in de schoot, bittere humor debiterend (en hopeloos verliefd op haar behandelend arts). Ze leefde tot 1976 met haar moeder in een bejaardenhuisje in Ede, daarna alleen. Joke stierf in 1990 en ligt begraven op het RK kerkhof van Ede.

* Hoogeveen, Zuidwolde, Avereest
** Swalmen, Beesel, Maasniel, Buggenum

dinsdag 9 januari 2018

De vlucht naar het noorden


Maria Joanna Hendrickx (1858 - 1945)
Gertrudis Beek (1874 - 1945)



Mijn moeder deed altijd geringschattend over Nederlanders van beneden de rivieren tijdens de Tweede Wereldoorlog: ‘Die hebben de hongerwinter niet meegemaakt.’ Waarop steevast verhalen volgden over haar fietstochten - op een fiets zonder banden! - langs boerderijen, op zoek naar voedsel. Dat ook zij, als inwoner van het Gelderse Ede, die winter geen dag honger heeft geleden, heb ik haar nooit onder ogen durven brengen.

Toch is haar versie me bijgebleven en leefde ook bij mij het idee dat Nederland ten zuiden van de Rijn eind 1944 al was bevrijd. Het lot van Maria Joanna Hendrickx vertelt een ander verhaal.

Maria is een ver familielid van mijn moeder. Ze wordt op 17 maart 1858 geboren in Swalmen en trouwt daar negenentwintig jaar later met Arnoldus Thomassen, een houtkoopman uit hetzelfde dorp. Ze krijgt met hem zes kinderen, totdat hij in 1903 overlijdt, 44 jaar oud. Ze hertrouwt niet, verhuist in de jaren daarna naar Roermond, waar ze begin 1931 woont. Tot zover past ze in het plaatje van zoveel leden uit de stamboom Wijnen. De locatie waar ze overlijdt, op 18 februari 1945, past daar niet in: Sneek.

Wat doet een 86-jarige Limburgse weduwe tijdens de oorlog in Sneek? Ik probeer een aannemelijke theorie te verzinnen en kom niet verder dan logeren bij familie. Haar kinderen zijn de handel in gegaan, een zoon trouwt in Rotterdam, het is mogelijk dat men zich heeft verspreid.

Het is een van de vele vraagtekens die je bij een stamboomonderzoek tegen komt. Lang houd je je er niet mee bezig, want opgelost krijg je ze zelden. In dit geval stuit ik echter een paar dagen later op Gertrudis Beek, 1874 geboren in Swalmen, overleden in Leeuwarden, 17 maart 1945.

Twee bejaarden uit Swalmen die in 1945, een maand na elkaar, in Friesland overlijden? Dat kan geen toeval zijn. Hier is meer aan de hand dan een familiebezoek. Dus duik ik Google in, op zoek naar de situatie in midden Limburg, gedurende de eerste maanden van dat jaar.

De zegeningen van het internet zijn talrijk (hoe deden genealogen dat vroeger?) en ik vind al snel een bijzonder interessante site met alle antwoorden. Eddy van der Noord heeft er zelfs een boek over geschreven.

Voor wie dit niet allemaal wil lezen, geef ik hier een korte versie: januari 1945 ligt Roermond in de frontlinie en evacueren de Duitsers de stad. Ze dwingen de bewoners naar het Duitse Brüggen te lopen, tien kilometer verderop, waar ze in veewagons worden geladen. Een moeizame tocht door Duitsland volgt, waarbij de treinen zelfs door geallieerden onder schot worden genomen.

In Friesland aangekomen is een eerste opvang in Leeuwarden, waar de vervuilde evacueés worden ontluisd, schoon geschrobd en medisch gekeurd. Daarna verspreiden ze zich over de provincie en verblijven ze bij particulieren, totdat ze tussen juni en augustus 1945 terugkeren naar het inmiddels bevrijde Limburg.      

Dat wil zeggen: degenen die het overleven. De website noemt enkele baby’s die tijdens de reis sterven, ik weet dat Maria en Gertrudis nooit zijn teruggekeerd en vraag me af hoeveel andere Limburgers in Friesland hun graf hebben gevonden.


Maria Joanna Hendrickx laat nog een laatste spoor na in Roermond, waar op 20 november 1945 eindelijk haar overlijden wordt geregistreerd, negen maanden na de optekening in Sneek. Mijn moeder is dan al een half jaar bevrijd.

vrijdag 1 december 2017

Pansarts, Pansaers, Panzaer, Pansaert, Pansaerts, Panzaert, Pansers, Spensers, Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Panser, Pantsers of Panster?

Gualterus Pansarts (1693 – 1771)


Doopakte

Geboren worden als Gualterus Pansarts, de eerste keer trouwen als Jacobus Pansaers, de tweede keer als Jacobus Panzaer, in officiële documenten Wolterus Jacobus Pansaert heten en overlijden als Jacobus Pansaerts: je zou er een identiteitscrisis van krijgen.

Jacobus – laten we hem gemakshalve zo noemen – leidt een leven dat even afwisselend is als de spelling van zijn naam. Hij wordt op 26 januari 1693 gedoopt in Sint-Truiden, België, als zoon van Johannes Pansarts en Anna Maria Vandendael. Tweeëntwintig jaar oud trouwt hij in dezelfde stad met Anna Maria Martau, waarmee hij tussen 1716 en 1727 in een sneltreinvaart negen kinderen krijgt.

Exact twee jaar en twee dagen na de geboorte van het laatste kind staat hij in Venlo voor het altaar om voor de tweede keer te trouwen. De bruid is deze keer Sophia Heuskens, in 1704 te Swalmen geboren als dochter van Johannes Heeskens en Petronella Wijnen.

Wat is er in die twee jaar gebeurd? Laat hij in België een vrouw met negen kinderen achter om in Nederland doodleuk met een Limburgs meisje trouwen? Ik vind geen overlijden van Anna Maria Martau, maar dat hoeft weinig te betekenen, want de boeken van Sint-Truiden zijn slecht leesbaar (en ik ben vrij waardeloos in het ontcijferen ervan).

Van de negen kinderen raken acht uit het zicht, alleen Philippus (1720-1772) laat een spoor na. Die trouwt in 1747 te Sint-Truiden met Anna Maria Vandionant (1718-1792), met wie hij tenminste zes kinderen krijgt. Philippus wordt in documenten van 1768 en 1769 genoemd als de zoon aan wie Jacobus al het vruchtgebruik over zijn bezittingen in Sint-Truiden afstaat*. Blijkbaar zijn er verder geen erfgenamen (meer).

Hoe dan ook: Jacobus vestigt zich in Swalmen, gaat op de vertrouwde voet verder en produceert bij Sophia nóg acht kinderen. En daar begint de ellende, want de arme clericus die de dopen noteert weet zich geen raad met de buitenissige Belgische achternaam. Dus heten de kinderen respectievelijk Pantzaert, Pansart, Panzaert, Pansar, Pansart, Panser, Pansar en Pansar. Er lijkt zich op het einde zowaar een consensus af te tekenen.

Helaas gaat bij de volgende generatie die consensus alweer overboord en heten Jacobus’ kleinkinderen Panzaert, Pantzaert, Pansaert, Pansters, Pansers en Spensers.



De achterkleinkinderen maken het helemaal bont door er twaalf varianten op na te houden: Palsters, Pansters, Pansers, Pantzaert, Pansart, Panssart, Panssaert, Pansaert, Panzaert, Panser, Pantsers en Panster.

Daarna wordt de variatie snel kleiner, vooral door een overschot aan dochters en het uitsterven van takken, zodat er heden ten dage nog slechts één achternaam resteert: Pansters.


Overlijdensakte

Jacobus krijgt dit allemaal niet meer mee. Hoewel hij in een document uit november 1769 nog wordt omschreven als 'gesondt ende wel te pas uytgenomen dat hij tegenwoordigh wat geïncomodeert is met eene obstructie op sijne borste'*, overlijdt hij anderhalf jaar later, op 22 maart 1771. Sophia is dan al twaalf jaar dood.

Ter afsluiting: woon je in Limburg, of komt je familie er vandaan en heet je Pansters? Dan kun je er zeker van zijn dat je afkomst in Sint-Truiden ligt, bij een man die de afgelopen eeuwen menige pennenlikker in verwarring heeft gebracht. Bovendien ben je familie van mij, want Sophia Heuskens is een kleindochter van Petrus Wijnen, een oudbetovergrootvader van me. Weet je trouwens wat in het Engelse taalgebied Pansters zijn?

* Bron: Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen.